21. Maar uw zonde, het voorwerp, waarmee gij gezondigd had, het kalf, 1) dat gij had gemaakt, nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en zijn stof wierp ik in de beek,die van de berg afstroomt, en gaf het u te drinken, opdat gij de nietigheid zou inzien van een god, die men drinken kan (
Exodus 32:20).
1) Ten einde hen een levendig besef te geven van de verdelging, waaraan zij toen bloot stonden, beschrijft hij de vernieling van het gegoten kalf, dat zij zich gemaakt hadden, en dat het werktuig van hun overtreding was geweest. Hij noemt dat kalf zonde, mogelijk niet alleen, omdat het het onderwerp van hun zonde was geweest, maar ook, omdat de vernieling ervan geschikt was tot een getuigenis tegen hun zonde, alsmede om hen te doen zien, wat degene, die daarmee hadden gezondigd, zelf verdiend hadden. Zij, die het kalf hadden gemaakt, waren hieraan gelijk, en hen zou geen ongelijk zijn aangedaan geworden, indien zij zelf dus tot stof verbrand, én vermalen én verstrooid waren geworden, zodat niets van hen was overgebleven. Het was een oneindige genade, dat God de vernieling en vernietiging van het afgodsbeeld toestond, in de plaats van de verdelging van de afgodendienaars..