Deuteronomium 3:12-20
Na hun getoond te hebben hoe het land, waarin zij zich thans bevonden, veroverd was toont hij hun nu in deze verzen, dat het gegeven werd aan de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse, waarvan wij de geschiedenis gehad hebben in Numeri 32. Hier wordt dit herhaald.
1. Mozes specificeert de bijzondere delen van het land, die aan elke stam werden toegewezen, inzonderheid de verdeling van hetgeen aan de halve stam van Manasse kwam, de onderverdelingen van welke stam merkwaardig zijn. Jozef was verdeeld in Efraïm en Manasse, Manasse was verdeeld in een helft aan deze zijde van de Jordaan, en de andere helft aan gene zijde, en hier aan de oostzijde van de Jordaan waren zij wederom verdeeld in twee grote geslachten, die elk hun aandeel kregen, Jair, vers 14, Machir, vers 15, en wellicht is Jakob's voorzegging van de kleinheid van die stam nu vervuld door deze verdelingen en onderverdelingen.
Merk op dat Bazan hier het land van de reuzen genoemd wordt omdat het in hun bezit was geweest, maar Og was de laatste van die reuzen. Het schijnt dat deze reuzen hun land verloren hebben, en er spoediger van uitgeroeid waren dan iemand van hun naburen, want zij, die, vertrouwende op hun kracht en statuur, hun hand keerden tegen ieder, zagen ieders hand tegen zich gekeerd, en zo werden zij verslagen en gingen naar het graf, hoewel zij de schrik waren geweest van de machtigen in het land van de levenden.
2. Hij herhaalt de voorwaarden van de schenking, die zij reeds hadden aangenomen, vers 18-20. Dat zij een sterke afdeling van krijgslieden over de Jordaan zouden zenden, om de voorhoede te leiden in de verovering van Kanaän, die niet naar hun gezinnen zouden terugkeren, tenminste niet om zich voor goed te vestigen, (hoewel zij tijdelijk, aan het einde van een veldtocht, wel de winterkwartieren mochten betrekken) vóór zij hun broederen even volkomen en rustig in het bezit zagen van hun erfdeel als zij het waren in het hunne. Hiermede moet hen geleerd worden, niet op het hunne te zien, maar ook op hetgeen van de ander is, Filippenzen 2:4. Weinig betaamt het een Israëliet om zelfzuchtig te zijn en particuliere belangen te stellen boven het algemene welzijn. Als wij rust hebben, moeten wij begeren dat ook onze broederen rust zullen hebben, en wij moeten bereid zijn wat wij kunnen daarvoor te doen, want wij zijn niet voor onszelf geboren maar zijn elkanders leden. Een goed en Godvruchtig man kan zich niet zeer verheugen in het welvaren van zijn gezin, tenzij hij daarbij ook vrede ziet over Israël, Psalm 128:6.