Deuteronomium 10:1-11
Er waren vier dingen, in en door welke God zich verzoend heeft betoond met Israël en hen waarlijk groot en gelukkig heeft gemaakt, en waarin Gods goedheid oorzaak genomen heeft door hun slechtheid om zich in des te groter heerlijkheid te openbaren.
I. Hij gaf hun Zijn wet, gaf haar hun in geschrift, als een blijvend onderpand van Zijn gunst. Hoewel de tafelen, die eerst beschreven waren, verbroken waren, omdat zij de geboden Gods hadden gebroken, en God terecht het verbond had kunnen verbreken, zijn toch, toen Zijn toorn was afgekeerd, de tafelen vernieuwd, vers 1, 2. Als God de wet in ons hart geeft, haar schrijft in ons binnenste, dan is dit het stelligste blijk van ons verzoend zijn met God, en het kostelijkste onderpand van onze zaligheid in Hem. Aan Mozes wordt bevolen de tafelen te houwen, want door overtuiging van zonde en verootmoediging bereidt de wet het hart voor Gods genade, maar dan is het alleen die genade, die de wet er in schrijft. Mozes maakte een ark van sittimhout, vers 3, een eenvoudige kist, dezelfde, naar ik onderstel, waarin de tafelen later bewaard zijn, maar in Exodus 37:1 wordt gezegd dat Bezaleel haar gemaakt heeft, omdat hij haar later heeft afgewerkt en met goud overtrokken. Of wel Mozes wordt gezegd haar gemaakt te hebben, omdat hij, toen hij voor de tweede maal op de berg ging, aan Bezaleel orders had gegeven om haar te maken en gereed te hebben als hij van de berg afkwam. En het is opmerkelijk dat om die reden de ark het eerste ding was, waarvoor God orders had gegeven, Exodus 25:10. En dit strekte aan de vergadering ten waarborg, dat deze tafelen niet, zoals de eerste, verbroken zouden worden. God zal Zijn wet en Zijn Evangelie zenden aan hen, wier harten bereid zijn als arken om ze te ontvangen. Christus is de ark, waarin onze zaligheid veilig bewaard wordt, opdat zij niet verloren ga, zoals zij verloren ging toen de eerste Adam haar in zijn hand had.
Merk op:
1. Wat het was, dat God op de twee tafelen geschreven heeft: de tien geboden, vers 4, of tien woorden, te kennen gevende in hoe klein een bestek zij vervat waren, het waren geen tien rollen, maar tien woorden, het was gelijk aan het eerste schrift, en beide waren gelijk aan hetgeen Hij gesproken had op de berg. De tweede editie had geen herziening en verbetering nodig, ook was wat Hij schreef niet verschillend van wat Hij sprak, het geschreven woord is even waarlijk het woord Gods, als dat hetwelk Hij tot Zijn dienstknechten, de profeten, heeft gesproken.
2. Welke zorg er voor gedragen werd. Deze twee tafelen, aldus gegraveerd, werden zorgvuldig weggelegd in de ark, en aldaar zijn zij, zei Mozes, waarschijnlijk heenwijzende naar het heiligdom, vers 5. Die goede zaak die hem toevertrouwd was, heeft hij hun overgeleverd, haar zuiver en ongeschonden in hun handen gelaten, dat zij er dan nu wel zorg voor dragen, want het is op hun gevaar, zo zij dit niet doen. Aldus kunnen wij tot het opkomend geslacht zeggen: God heeft ons Bijbel, sabbatten, sacramenten enz. gegeven, als tekenen van Zijn tegenwoordigheid en gunst, en daar zijn zij, wij hebben ze u overgegeven, 2 Timotheus 1:13, 14.
II. Hij leidde hen voorwaarts naar Kanaän. Hoewel zij in hun hart naar Egypte terugkeerden, hoewel Hij rechtvaardig het loon hunner handelingen had kunnen kiezen, en hun vrezen over hen had kunnen doen komen heeft Hij hen uit een dorre, onvruchtbare woestijn in een land van waterbeken gebracht. Soms heeft God door de gewone middelen van de natuur in hun behoeften voorzien, en als deze faalden, door wonderen, en toch bevinden wij dat, toen zij later in enige benauwdheid kwamen zij God gewantrouwd en gemurmureerd hebben, Numeri 20:3, 4.
III. Hij stelde een blijvende ambtsbediening onder hen in om in heilige zaken voor hen te handelen. Te dier tijd, toen Mozes voor de tweede maal op de berg ging, of spoedig daarna, ontving hij orders om de stam van Levi voor God af te zonderen, tot Zijn onmiddellijke dienst, daar zij zich door hun ijver tegen de aanbidders van het gouden kalf onderscheiden hadden, vers 8, 9. De Kohatieten droegen de ark, zij en andere Levieten stonden voor het aangezicht des Heeren, om Hem te dienen in al de diensten van de tabernakel, en de priesters, die van die stam waren, moesten het volk zegenen. Dit was een blijvende inzetting, die nu reeds bijna veertig jaren in stand was gebleven tot op deze dag, en er was een voorziening gemaakt om haar te bestendigen door het vastgestelde onderhoud van die stam, dat van zulk een aard was, dat zij er grotelijks door aangemoedigd werden in hun arbeid, en dat zij er niet van afgeleid behoefden te worden. De Heere, die is zijn erfdeel. Een gevestigde Evangeliebediening is een grote zegen voor een volk en een bijzonder teken van Gods gunst. En daar de priesters niet altijd kunnen blijven, omdat zij sterflijk zijn, toonde God Zijn zorg voor het volk door hun opvolgers te geven, waarvan Mozes hier nota neemt, vers 6. Toen Aaron stierf, is het priesterschap niet met hem gestorven, zijn zoon Eleazar bediende het priesterambt in zijn plaats, en droeg zorg voor de ark waarin de stenen tafelen, die kostelijke edelgesteenten, gelegd waren, opdat zij niet beschadigd zouden worden, en hem is de bewaring er van toevertrouwd. Onder de wet werd de opvolging in de bediening in stand gehouden door erfrecht op dit ambt in een zekere stam en geslacht. Maar nu onder het Evangelie, de Geest meer overvloedig en krachtig uitgestort zijnde, wordt de opvolging in stand gehouden door de werking des Geestes in het hart van de mensen, hen neigende tot en bekwaam makende voor dat werk, sommigen in iedere tijd, opdat de naam Israëls niet uitgedeld worde.
IV. Hij heeft Mozes aangenomen als hun voorspraak en voorbidder, en daarom heeft Hij hem tot hun vorst en leidsman aangesteld vers 10, 11. De Heere verhoorde mij, en zei tot mij: Sta op, ga op de reis voor het aangezicht des volks. Het was een zegen voor hen, dat zij zo'n vriend hadden, die zo getrouw was, beide aan Hem, die hem had aangesteld, en aan hen, voor wie hij was aangesteld. Het was voegzaam dat hij, die door zijn voorbede hen gered had van het verderf, de leiding van en het bevel over hen zou hebben. En hierin was hij een type van Christus, die, gelijk Hij eeuwig leeft om voor ons te bidden, ook alle macht heeft in hemel en op aarde.