2 Thessalonicenzen 3:6-15
Nadat de apostel hun gehoorzaamheid van vroeger heeft geprezen en zijn vertrouwen in hun gehoorzaamheid voor het vervolg uitgesproken, gaat hij voort hun bevelen en aanwijzingen te geven omtrent sommige dingen onder hen, die niet in orde waren. De beste gemeenschap van Christenen kan enkele personen bevatten, die minder goed handelen, en sommige dingen, die verbeterd moeten worden. Volmaking wordt aan deze zijde van het graf niet gevonden, maar slechte manieren belemmeren goede wetten en vereisen goede wetten. De wanordelijkheden, waarvan Paulus gehoord had dat ze onder de Thessalonicenzen bestonden, maakten dat de goede voorschriften gegeven werden die wij in de volgende verzen vinden, welke ons en allen anderen van blijvend nut kunnen zijn. Merk op:
I. Wat er verkeerd was onder de Thessalonicenzen.
1. Over het algemeen. Er waren sommigen onder hen, die ongeregeld wandelden, en niet naar de inzettingen, die zij van hem ontvangen hadden, vers 6. Sommigen van de broederen maakten zich schuldig aan ongeregelden wandel, zij leefden niet geregeld, en gedroegen zich niet naar de inzettingen van Christus, niet overeenkomstig hun belijdenis en godsdienst, niet volgens de voorschriften, welke de apostel gegeven had en waaraan zij voorgaven gehoor te verlenen. Het wordt geëist van hen, die het Evangelie aangenomen hebben en belijden zich er aan te onderwerpen, dat zij dienovereenkomstig leven. Indien zij dat niet doen zijn zij ongeregelde mensen.
2. In het bijzonder waren er: niet werkende, maar ijdele dingen doende, vers 11. De apostel had dat van geloofwaardige personen gehoord en hij had daardoor voldoende reden om geboden en aanwijzingen te geven ten aanzien van zulke mensen: hoe zij zich behoorden te gedragen en hoe de gemeente ten hunnen aanzien had te handelen.
A. Er waren sommigen onder hen ijdel, ledig, in `t geheel niet werkende. Zij waren geen verkwisters, geen dronkaards, maar eenvoudig lediggangers en daardoor ongeregeld. Het is niet genoeg, dat van iemand kan gezegd worden dat hij geen nadeel doet, maar van alle mensen wordt vereist, dat zij goed zullen doen in de plaats, waar de Voorzienigheid hen gesteld heeft. Het is waarschijnlijk dat deze mensen, door verkeerd begrip van sommige uitdrukkingen in den vorigen brief, dachten dat de wederkomst van Christus zeer aanstaande was, en dat zij dit als voorwendsel gebruikten om het werk van hun beroep te verwaarlozen en in ledigheid te leven. Het is een grote dwaasheid en misbruik van den godsdienst, wanneer men dien doet dienen als dekmantel voor ledigheid of andere zonden. Indien wij zeker waren dat de jongste dag zeer nabij was, zouden wij toch moeten werken zolang het dag is, opdat de Heere wanneer Hij komt, ons moge vinden alzo doende. De dienstknecht, die zijn Heere verwacht, moet werken zoals de Heere hem bevolen heeft, opdat alles gereed is bij Zijn komst. Ook kan het zijn dat deze ongeregelde mensen voorgaven, dat de vrijheid, waarmee Christus hen had vrijgemaakt, hen ontsloeg van den dienst en het werk van hun bijzonder beroep en werk in deze wereld, in tegenspraak met het bevel: een iegelijk blijve in de roeping, waarin hij van God geroepen is, 1 Corinthiërs 7:20, 24. Vlijtigheid in ons dagelijks beroep is een plicht, die vervuld moet worden als een der algemene voorschriften, vooral voor Christenen. Het is ook mogelijk dat de algemeen onder de Christenen heersende weldadigheid jegens hun arme broederen deze mensen aanmoedigde om in ledigheid te leven, omdat zij wisten dat de gemeente hen wel onderhouden zou. Wat ook de oorzaak mocht zijn, zij verdienden afkeuring. B. Er waren ook mensen onder hen, die ijdele dingen deden, of zich altijd in de zaken van anderen mengden. Daar zij zo tezamen genoemd worden, schijnt het dat dezelfde mensen, die niet werkten, wel ijdele dingen deden. Dat schijnt zich zelve tegen te spreken, maar het komt dikwijls voor dat zij, die zelf niets doen of hun eigen zaken verwaarlozen, druk bezig zijn met de zaken van anderen. Zo wij ledig zijn, zullen de duivel en ons verwaande hart ons wel spoedig iets te doen geven. De ziel van een mens is altijd bezig, indien zij niet iets goeds te doen heeft, zal zij kwaad doen. -Bemoeiallen zijn ongeregelde mensen, schuldig aan ijdele nieuwsgierigheid, brutaal zich mengende in dingen, die hun niet aangaan, en zich zelven en anderen moeite makende met de zaken van anderen. De apostel waarschuwt Timotheus tegen zulke mensen, Zij leren ledig omgaan bij de huizen, en zijn niet alleen ledig, maar ook klapachtig en ijdele dingen doende, sprekende hetgeen niet betaamt, 1 Timotheus 5:13.
II. De goede wetten, die naar aanleiding daarvan gegeven worden, bevatten veel waarvan wij kennis nemen moeten.
1. Wiens wetten het zijn, het zijn geboden van de apostelen van den Heere, gegeven in naam van hunnen en onzen Heere, dus geboden van den Heere zelven. Wij bevelen u, broeders, in den naam van onzen Heere Jezus Christus, vers 6. Verder: Den zodanige bevelen en vermanen wij door onzen Heere Jezus Christus, vers 12. De apostel gebruikt woorden van gezag en bedreiging, want waar ongeregeldheden moeten weggenomen of voorkomen worden, zijn beide nodig. Het gezag van Christus moet onze zielen tot gehoorzaamheid buigen, en Zijn genade en goedheid moeten er ons toe lokken.
2. Welke goede wetten en voorschriften dat zijn. De apostel geeft voorschriften aan de gehele gemeente, bevelen aan de ongeregelden, en een vermaning aan hen, die goed handelden.
A. Zijne bevelen en aanwijzingen aan de gehele gemeente betreffen:
a. Hun gedrag jegens de ongeregelde personen, die onder hen waren, daarvan zegt hij: dat gij u aan hen onttrekt, vers 6. En later: tekent hem, en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde. En houdt hem niet als een vijand, maar vermaant hem als een broeder, vers 14, 15. De aanwijzingen van den apostel voor ons gedrag tegenover zulke personen behoren nauwkeurig overwogen te worden. Wij moeten zeer voorzichtig zijn in de toepassing van kerkelijke tucht. Wij moeten ten eerste tekenen den man, die verdacht wordt of beschuldigd wordt het Woord Gods niet te gehoorzamen, of tegen dat Woord in te wandelen, dat is, wij moeten voldoende bewijzen voor zijn overtreding hebben, alvorens verder te handelen. Ten tweede moeten wij hem op vriendelijke wijze vermanen, wij moeten hem zijn zonde en zijn plicht voorhouden, en dat onder vier ogen doen. Mattheus 18:15. Wanneer hij daaraan geen gehoor geeft, moeten wij ten derde, ons aan hem onttrekken, geen gemeenschap met hem houden: dat is: wij moeten gemeenzamen omgang met hem vermijden, en wel om twee redenen. En wel opdat wij zijn boze wegen niet leren, want hij, die ijdele en ledige personen volgt en met hen omgaat, loopt gevaar hun gelijk te worden. En ook om hem te beschamen en daardoor te verbeteren, opdat de ongeregelde personen zien mogen, dat hun verkeerde praktijken door wijze en goede mensen afgekeurd worden, en zij, daardoor beschaamd, geregeld mogen gaan wandelen. Hebt daarom uw verkeerd handelende broederen lief, ofschoon ge hun ondeugden haat. En dat moet de reden wezen waarom wij ons aan hen onttrekken. Zelfs zij, die onder de kerkelijke tucht liggen, mogen niet als vijanden beschouwd worden, vers 15, omdat, zo zij door die tucht worden verbeterd, herkrijgen zij het vertrouwen en alle rechten der kerk, als broeders.
b. Hun algemeen gedrag en hun houding behoren te zijn overeenkomstig het goede voorbeeld door de apostelen en hun medearbeiders gegeven. Gijzelven weet hoe men ons behoort na te volgen, vers 7. Zij, die de gemeente onder hen gesticht hadden, waren hun met een goed voorbeeld voorgegaan, de dienaren van het Evangelie behoren voorbeelden der kudde te zijn. Het is de roeping der Christenen te wandelen niet alleen volgens de inzettingen en de leer, die de apostelen hun overgeleverd hebben, maar ook volgens het goede voorbeeld door hen gegeven. Zijt onze navolgers, gelijk wij van Christus. In dit geval was het goede voorbeeld, dat de apostel noemt, hun vlijt, die zo verschillend was van het gedrag dergenen, die ongeregeld wandelden. Want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u, vers 7, wij hebben onzen tijd niet doorgebracht in ledigheid, in ijdele bezoeken, ijdele gesprekken en ijdele liefhebberijen. Zij namen moeite in hun bediening, in de prediking van het Evangelie en in de inrichting van hun levenswijze. Wij hebben geen brood gegeten bij iemand voor niet, vers 8. Ofschoon hij hun billijk om onderstand kon gevraagd hebben, omdat zij, die het Evangelie verkondigen, recht hebben van het Evangelie te leven. Dat zijn de gemeenten aan hun dienaren verschuldigd, en de apostel had de bevoegdheid en de macht om dat te vragen, vers 9. Maar hij had afstand gedaan van zijn recht uit genegenheid tot hen, en ter wille van het Evangelie, en daarin gaf hij hun een voorbeeld ter navolging, vers 9, opdat zij mochten leren hun tijd goed te besteden en alzo bezig te zijn in enig werk, waaruit nut voortkwam.
B. Hij beveelt hun, die ongeregeld leven, zich te beteren en aan het werk te gaan en geeft hun daartoe voorschriften. Hij had te dien aanzien bevelen gegeven zowel als een goed voorbeeld, toen hij bij hen was. Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete, vers 10. Het was een spreekwoord onder de Joden: Die niet wil werken, mag ook niet eten. De arbeider is zijn brood waardig, maar wat is de leegloper waard? Het is Gods wil dat ieder mens een roeping zal hebben en daarin bezig zijn, en dat niemand nutteloos op aarde leven zal. Lediglopers doen al wat ze kunnen om het woord krachteloos te maken: In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten. Het was geen eigen goeddunken van den apostel, wanneer hij altijd druk werkzaam was en anderen ook daartoe aanspoorde, maar het was volgens het bevel van den Heere Jezus Christus, dat wij met stilheid werkende ons eigen brood eten, vers 12. De mensen moeten op de een of andere wijze in hun levensonderhoud voorzien, anders eten zij niet hun eigen brood. Er moet werk en bezigheid zijn in plaats van ledigheid, en er moet stilheid zijn in plaats van een zich bemoeien met anderer zaken. Wij moeten leren in stilheid ons eigen werk te doen. Het is uitnemend, maar komt niet dikwijls voor, dat iemand zeer druk werkt en toch stil is, druk in zijn eigen werk en stil in andermans zaken.
C. Hij vermaant hen: En gij, broeders, vertraagt niet in goed te doen, vers 13, alsof hij zeggen wilde: Werkt en weest voorspoedig: De Heere is met u, zo gij met Hem zijt. Wat ge ook goeds moogt doen, ziet dat gij daarin volhardt. Blijf in uw eigen weg en dat tot het einde. Gij moet nooit uw werk afgeven of er een afkeer van krijgen. Er zal tijd genoeg zijn in den hemel om te rusten, in de eeuwige ruste die overblijft voor het volk van God.