2 Samuël 21:15-22
Wij hebben hier oorlogen met de Filistijnen die in het laatste gedeelte van Davids regering schijnen gevoerd te zijn. Hoewel hij hen zo tenonder had gebracht, dat zij niet weer talrijke legers te velde konden brengen, wilden zij zich toch, zolang er nog reuzen onder hen waren om hun kampioenen te zijn, nooit rustig houden, maar namen alle gelegenheden te baat om de vrede van Israël te verstoren, hen uit te dagen, of invallen bij hen te doen.
I. David zelf had de strijd aangebonden met een van de reuzen. De Filistijnen hadden de oorlog weer begonnen, vers 15. De vijanden van Gods Israël zijn rusteloos in hun aanslagen tegen hen. Hoewel David nu oud was, wilde hij toch niet vrijgesteld zijn van de krijgsdienst, maar ging af in eigen persoon om tegen de Filistijnen te strijden. "Senescit, non segnescit-Hij wordt oud, maar niet vadsig." Een teken dat hij streed, niet voor zijn eigen roem (op dat tijdstip was hij er mee beladen en had er geen meer nodig) maar tot welzijn van zijn rijk. Maar in dit gevecht vinden wij hem:
1. In nood en gevaar. Hij dacht dat hij de vermoeienissen van de krijg nog evengoed kon dragen als tevoren, zijn wil was goed, en hij hoopte te kunnen doen als op andere malen, maar hij vond zich teleurgesteld, de ouderdom had zijn haar afgesneden, en na een wijle werd hij moede. Zijn lichaam kon geen gelijke tred houden met zijn geest. De kampioen van de Filistijnen werd spoedig zijn voordeel gewaar, hij bemerkte dat Davids kracht hem begaf, en zelf sterk en welgewapend zijnde, dacht hij David te slaan, maar God was niet in zijn gedachten, en daarom zijn zij op die eigen dag allen omgekomen. De vijanden van Gods volk zijn dikwijls zeer sterk, zeer listig, en zeer zeker van de overwinning, zoals Isbi Benob, maar er is geen sterkte, noch raad, noch vertrouwen, tegen de Here.
2. Wonderbaarlijk gered door Abisai, die hem tijdig te hulp kwam, vers 17. Hierin moeten wij Abisai's moed en trouw aan zijn vorst erkennen, daar hij om zijn leven te redden kloekmoedig het zijne gewaagd heeft, maar nog veel meer de goede voorzienigheid Gods, die hem David te hulp deed komen op het ogenblik van zijn uiterst gevaar. Zulk een zaak en zo'n kampioen kunnen wel in nood en gevaar wezen, maar zullen niet verlaten worden. Toen Abisai hem hielp, hem een hartsterking gaf misschien, waardoor zijn falende kracht weer opgewekt werd, of hem steunde, sloeg hij (namelijk David, zoals ik het opvat) de Filistijn en doodde hem, want in vers 22 wordt gezegd dat David zelf de hand heeft gehad in het doden van de reuzen. David werd moede maar vlood niet, hoewel zijn kracht hem begaf heeft hij kloekmoedig stand gehouden, en toen zond God hem hulp in de tijd van zijn nood, die hij, hoewel zij hem gebracht werd door zijn jongere en mindere, dankbaar aannam en zo bereikte hij zijn doel en bleef overwinnaar. Christus werd in Zijn doodsbenauwdheid versterkt door een engel. In de geestelijke strijd worden zelfs krachtige heiligen soms moede, als Satan hen met woede aanvalt, maar zij, die stand houden en hem weerstaan, zullen hulp ontvangen en meer dan overwinnaars worden gemaakt.
3. Davids knechten hebben hierop besloten dat hij zich nooit meer aldus in gevaar zal begeven. Zij hebben hem gemakkelijk kunnen bewegen niet tegen Absalom te strijden, Hoofdstuk 18:3, maar tegen de Filistijnen wilde hij uittrekken, totdat, nu hij zo ternauwernood aan het gevaar ontkomen was, in de raad besloten werd en bevestigd met een eed, dat de lamp Israëls (zijn gids en zijn glorie, want dit was David) niet meer zo blootgesteld zou zijn aan het gevaar van te worden uitgeblust. Levens zo kostbaar als dat van David, moeten met dubbele zorg bewaard worden, zowel door henzelf als door anderen.
II. De overige reuzen vielen door de hand van Davids knechten.
1. Saf werd verslagen door Sibbechai, een van Davids helden, vers 18, 1 Kronieken 11:29. h.
2. Een ander, de broeder van Goliath, werd geslagen door Elhanan, van wie melding wordt gemaakt in Hoofdstuk 23:24.
3. Een andere was van zo'n buitengewone lengte en omvang, dat hij meer vingers en tenen had dan andere mensen, vers 20 en zo weergaloos onbeschaamd en driest, dat hij, hoewel hij de val had gezien van andere reuzen, Israël toch hoonde, hij werd verslagen door Jonathan, de zoon van Simea. Simea had een zoon, Jonadab geheten, 2 Samuël 13:3. Ik zou hem voor dezelfde gehouden hebben als deze Jonathan, maar die was bekend voor zijn schranderheid, of liever listigheid, en deze voor zijn kloekmoedigheid. Deze reuzen waren waarschijnlijk de overblijfselen van de kinderen Enaks, die, hoewel zij lang gevreesd waren toch eindelijk gevallen zijn.
Merk nu op:
a. Dat het voor de sterke dwaasheid is te roemen in zijn kracht. Davids knechten waren niet groter of sterker dan andere mensen, maar door de hulp Gods hebben zij de ene reus na de andere overmeesterd. God verkiest door het zwakke de sterken te beschamen.
b. Het is iets gewoons dat zij die der helden schrik zijn geweest in het land van de levenden, ter helle nederdalen, Ezechiël 32:27.
c. De machtigste vijanden worden dikwijls voor het laatst bewaard. David begon zijn roem met de overwinning over een reus, en hier besluit hij hem met de overwinning. De dood is des Christens laatste vijand en een zoon Enaks, maar door Hem, die voor ons getriomfeerd heeft, hopen wij ten laatste ook over alle vijand meer dan overwinnaars te zullen zijn.