2 Kronieken 9:13-31
Wij hebben hier Salomo op zijn troon, en Salomo in zijn graf, want de troon kon hem tegen het graf niet beveiligen. `Mors sceptra ligonibus aequot' -De dood ontrukt de scepter aan de hand, zowel als de spade.
I. Hier is Salomo, regerende in rijkdom en macht, in rust en volheid, zoals, voorzover ik weet, nooit door enigen koning geëvenaard kon worden.
Als men de grootheid van Salomo vergelijkt bij die van sommigen van de grote vorsten van de aarde dan ziet men, dat de doorluchtigsten van hen beroemd waren om hun oorlogen, terwijl Salomo veertig jaren lang in volkomen vrede en rust heeft geregeerd.
Sommigen van degenen, van wie men zou kunnen denken dat zij met Salomo gewedijverd hebben streefden naar afzondering, hielden de mensen in ontzag door hen op een afstand te houden, niemand moest hen zien, niemand op straffe des doods tot hen naderen. Maar Salomo ging veel uit, trad op in publieke aangelegenheden, zodat, alles wèl overwogen zijnde, de belofte vervuld was, dat God hem rijkdom en eer zou geven, zoals geen koningen gehad hebben noch hebben zullen, Hoofdstuk. 1:12.
1. Nooit is een vorst met grotere pracht in het openbaar verschenen dan Salomo, hetgeen hem bij hen die, gelijk de meeste mensen, oordelen naar het gezicht van de ogen, zeer aanbevolen zal hebben. Hij had tweehonderd rondassen en driehonderd schilden, allen van geslagen goud, die voor hem uitgedragen werden vers 15, 16, en hij zat op een zeer statiger troon, vers 17-19, desgelijks is in geen koninkrijk gemaakt geweest.
De luister, waarin hij verscheen, was een afschaduwing van de geestelijke heerlijkheid van de Messias en slechts een flauwe voorstelling van Zijn troon, die boven iedere troon is. Salomo's pracht was geheel kunstmatig, en daarom geeft onze Heiland boven haar de voorkeur aan de natuurlijke schoonheid van de lelies des velde, MATTHEUS. 6:29 : "Salomo in al zijn heerlijkheid is niet bekleed geweest gelijk een van deze."
2. Nooit had enig vorst groter overvloed van goud en zilver, hoewel er geen goud of zilvermijnen in zijn rijk waren. Hij heeft zich of meester gemaakt van de mijnen van andere landen en, een volkrijk land hebbende, werklieden gezonden, om deze rijke metalen op te delven, of, een vruchtbaar land hebbende, heeft hij er de voortbrengselen van uitgevoerd, en daarmee al dit goud verkregen, waarvan hier gesproken wordt, vers 13, 14, 21.
3. Nooit was er een vorst, aan wie al zijn naburen zulke geschenken brachten als aan Salomo. Alle koningen van Arabië en de vorsten deszelf lands brachten hem goud en zilver vers 14.
Niet als een schatting, die hij hun afdwong, maar als vrijwillige offeranden, om zijn gunst te verwerven, of bij wijze van ruil voor sommige producten van zijn landbouwbedrijf, koren, of vee. Al de koningen van de aarde brachten hem geschenken, dat is: allen van die delen van de wereld, vers 24, 28, omdat zij zijn vriendschap begeerden en omgang met hem zochten. Hierin was hij een type van Christus, aan wie, zodra Hij geboren was, de wijzen uit het Oosten geschenken brachten, "goud, en wierook en mirre", MATTHEUS. 2:11, en aan wie allen, die rondom Hem zijn geschenken moeten brengen, Psalm 76:12, Romeinen 12:1.
4. Nooit was enig vorst zo vermaard voor wijsheid, zo gezocht, zo geraadpleegd, zo bewonderd, vers 23.
De koningen van de aarde (want het was een te grote gunst voor gewone personen, om daar aanspraak op te maken), zochten Salomo's aangezicht om zijn wijsheid te horen, hetzij zijn natuurkunde, of zijn kennis van geneeskunde, of zijn staatkunde, of zijn regelen van wijsheid voor het levensgedrag, of misschien de beginselen van zijn Godsdienst en de redenen er voor.
Dat zij zich toen tot Salomo gewend hebben om zijn wijsheid te horen, zal van de mensen algemene minachting van Christus en Zijn Evangelie beschamen, verzwaren en veroordelen.
Hoewel in Hem alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn, is er toch niemand van de oversten van deze wereld, die ze begeert te kennen, want zij zijn hun dwaasheid, 1 Corinthiers 2:8- 14.
II. Hier is Salomo stervende, ontdaan van zijn pracht en heerlijkheid, en al zijn rijkdom en macht nalatende, niet aan iemand van wie hij niet wist "of hij wijs zal zijn of dwaas", Prediker 2:19, maar die, naar hij wist, een dwaas zal zijn. Dit was niet slechts ijdelheid, maar kwelling des geestes, vers 29-31.
Het is zeer opmerkelijk dat hier geen melding wordt gemaakt van Salomo's afwijken van God in zijn latere dagen, dat er zelfs niet de minste toespeling op wordt gemaakt.
1. Omdat de Heilige Geest ons wil leren om geen behagen te scheppen in het herhalen of vermelden van de gebreken en dwaasheden van anderen. Indien zij, die vermaard waren voor wijsheid en eer, zich misdragen, kan het wel nuttig zijn om kennis te nemen van hun wangedrag ter waarschuwing van onszelf en anderen, maar wij moeten niet ijverig zijn om die kennis te verbreiden, eenmaal er van te spreken is genoeg, waarom moet die wanluidende snaar wederom aangeraakt worden? Waarom kunnen wij niet doen wat de gewijde geschiedschrijver hier doet, namelijk uitvoerig spreken van hetgeen prijzenswaardig is in anderen, zonder iets te zeggen van hun fouten, ja al waren die zelfs groot en in het oog lopend? Dit is slechts doen aan anderen, wat wij wensen dat ons gedaan zal worden.
2. Omdat hij wel gevallen was, maar toch niet weggeworpen werd. Zijn zonde werd niet ten tweede male vermeld, omdat hij er berouw van heeft gehad, zich er van bekeerd heeft, en zij hem vergeven is geworden, en zo werd zij alsof zij nooit geweest was. Het zwijgen van de Schrift is soms welsprekend.
Ik wil gaarne geloven dat haar stilzwijgen hier betreffende Salomo's zonde te kennen geeft dat geen van de zonden, die hij heeft bedreven, hem toegerekend is geworden, Ezechiël 33:16. Als God de zonde vergeeft, werpt Hij haar achter Zijn rug en gedenkt haar niet meer.