4. En bouwde ook Thadmor in de woestijn, in een vruchtbare oase van de Syrische woestijn gelegen (
2 Samuël 8:6), en al de schatsteden, die hij bouwde in het vroeger vermelde rijk Hamath.
Terwijl Salomo, door de verovering van Hamath-Zoba aan deze noordelijke hoek, aan zijn rijk een verdere uitbreiding gaf, kwam ook de handelsweg in zijn bezit, die van Fenicië naar de Eufraat voerde; en nu stichtte hij, in het belang van een ongestoord handelsverkeer, verscheidene voorraadsteden of bevestigde stations-plaatsen, die de karavanen een veilig rustpunt boden tegen de overvallen van roofzieke woestijnbewoners, de reizigers en hun lastdieren levensonderhoud waarborgden, en voor koopgoederen misschien tot stapelplaats dienden. Zo'n stationsplaats was Thadmor, hij de Grieken en Romeinen Palmyra geheten, naar de waarschijnlijkste berekeningen onder 34 1/3 noorder-breedte en 55 1/4-57" ooster-lengte gelegen. Door haar gelukkige ligging, als een rijkelijk met water voorziene, door bijzonder gunstig klimaat en vruchtbare bodem uitmuntende oase, midden in de grote woestijn, en zeker ook als verenigingspunt van verscheidene wegen, verkreeg deze stad in de loop van de tijd de betekenis van een hoofd-handelplaats. Of Thadmor oorspronkelijk zelf tot het gebied van Hamath behoorde, of de stichting van deze stad niet pas door Salomo is geschied, maar deze haar slechts uitgebouwd en bevestigd heeft, het een zowel als het ander moet onbeslist blijven. Het is echter opmerkelijk, dat wij slechts behalve op onze plaats en 1 Koningen .9:18 de stad overigens niet meer vermeld vinden, zo min bij gelegenheid van Syrische en Assyrische invallen, als bij profetische uitspraken over Syrië. Daartoe kan gedeeltelijk de afgezonderde ligging hebben bijgedragen; tevens kan men daarbij bedenken, dat de weg, die naar Thadmor voerde, voor de grotendeels uit ruiterij bestaande Assyrische en Babylonische legers niet bruikbaar was, omdat hij door de woestijn leidde. Bovendien is het maar al te waarschijnlijk, dat Thadmor, evenals in het algemeen het geheel in Syrië verkregen gebied, betrekkelijk slechts korte tijd in het bezit van Israël bleef, later deelde zij het lot van alle voor-Aziatische landen, en was zij achtereenvolgens aan de heerschappij van de Assyriërs, Babyloniërs, Perzen en Macedoniërs onderworpen, totdat zij daarna onder de Seleucieden een van de beroemdste steden van het Oosten werd, en allengs in het bijna uitsluitend bezit geraakte van het handelsverkeer tussen de Eufraatlanden en de Middellandse zee. Lange tijd ontging zij de blikken van de Romeinse veroveraars; toen ten tijde van het tweede Driemanschap, na de slag bij Filippi (in het jaar 42 na Christus), Antonius haar wilde bezoeken, om zich in het bezit van haar schatten te stellen, moest hij onverrichter zake weer aftrekken, want de Palmyrenen handen zich over de Eufraat weer teruggetrokken en plaatsten daar hun voortreffelijke boogschutters ter hunner bescherming.
Wanneer zij eindelijk een deel van het Romeinse wereldrijk is geworden, laat zich niet nader bepalen; daarentegen zijn er enige bewijzen aanwezig, dat met keizer Hadrianus (van 117-138 na Christus geb.) het tijdvak begint, waarin Palmyra ten slotte een van de eerste steden van het Oosten geworden is, en het voornaamste deel van die grootse gedenktekenen van de bouwkunst ontstaan zijn, waarvan de kolossale ruïnen enig in haar soort kunnen genoemd worden. Met de tweede helft van de derde eeuw na Christus begon de zo dikwijls besproken belangrijke episode uit de geschiedenis van de latere Romeinse keizers. Toen namelijk, na de gevangenneming van keizer Valerianus door de trouweloze Pers Sapores (209 na Christus) tegen het onwaardige bestuur van zijn zoon en opvolger Gallienus bijna in alle provincies de veldheren zelf zich tot Imperatoren (heersers) opwierpen de tijd van de zogenaamde dertig tirannen, 260-270 na Christus en bijna het gehele Oosten voor de Romeinen verloren en de Perzen toegevallen scheen te zijn, toen was het de vorst en veldheer Septimius Odenathus, afstammende uit een van de belangrijkste Palmyreense families, die de overmoedige Sapores krachtige tegenstand bood, hem een bloedige slag leverde, en hem tot aan zijn residentie Ctesiphon terugdreef. Dus was Odenathus feitelijk heer van het grootste deel van het oosten geworden, eigende zich eerst de konings- en daarna de keizerstitel toe, en regeerde met grote macht en groot verstand, totdat hij in het jaar 267 na Christus door de zoon van zijn broer vermoord werd. Thans greep zijn gade, de moedige en verstandige Zenobia, in de naam van haar nog onmondige zoons de teugels van het bewind, wist niet slechts tegen de Perzen, maar ook tegen Gallienus en zijn opvolger Claudius II zich te handhaven, ja breidde de grenzen van het Palmyreense rijk over een deel van Klein-Azië, over Mesopotamië en tot in het Arabische gebied uit, en ontrukte door een van haar veldheren zelfs Egypte aan de Romeinse heerschappij.
Maar daarmee had de heerlijkheid van Palmyra ook haar toppunt bereikt, waarvan de stad met één slag weer afdaalde; want toen in het jaar 270 na Christus in de persoon van Domitius Aurelianus weer een frisse kracht de Romeinse keizerstroon besteeg, was onder de vele plannen, die de heerser vormde ook dat, om aan het Palmyreense rijk een einde te maken. Bij Antiochië in Syrië, en later weer bij Emosa geslagen (in het jaar 272 na Christus) moest Zenobia zich naar Palmyra terugtrekken; een poging tot ontvluchting gedurende het beleg mislukte, zij geraakte in handen van Aurelianus, die haar medenam naar Rome ter verheerlijking van zijn triomf. De stad zelf, die zich eerst had overgegeven, maar daarna weer in opstand was geraakt, werd door de Romeinen wel niet verwoest, maar toch zodanig geplunderd en geschonden, dat zij tot een puinhoop moest vervallen. Voor het overige viel aan Zenobia een eervolle, met haar rang overeenkomend, behandeling ten deel; zij bracht haar overige levensdagen gedeeltelijk door in Rome, waar haar een paleis was ingeruimd, deels op een landgoed in de nabijheid van Tibur; door uithuwelijking van meer dan een van haar kinderen kwam zij in nauwe betrekking tot aanzienlijke Romeinse families, en in hoge ouderdom stierf zij. Uitstekende door schoonheid en beschaving, door moed en volharding, door een buitengewoon levendig gestel en door strenge kuisheid is zij een van de meest besproken vrouwen, die de wereldgeschiedenis kent, en die door de Italiaanse dichter Petrascha (overl. 1374 na Christus) in een van zijn liederen bezongen wordt; maar het blijft een nog onbesliste vraag, tot welke godsdienst zij behoorde, of zij het Heidendom aankleefde, waartoe de Arabische stammen behoorden, of tot het Jodendom was overgegaan, of, zoals men ook beweerd heeft, een Christin is geworden. Het eerste is wel het waarschijnlijkst, terwijl het laatste een gissing is zonder enige grond; krachtens een zogenaamde vrijzinnige richting, die zij als vrouw van bijzondere begaafdheid en beschaving huldigde, werd zij de beschermvrouw van de in de geschiedenis onder de Anti-trinitariërs (tegenstanders van de leer van de Drieëenheid) bekende Paulus van Samosate, die pas na haar val ontzet kon worden van zijn ambt als bisschop van Antiochië. Palmyra, dat, door een aardbeving in het jaar 1042 na Christus, haar gehele ondergang vond, is tegenwoordig een ellendig dorp van armzalige lemen hutten, aan de binnenzijde van de hof van de grote zonnentempel, en aan alle zijden omringd door een ontzettend veld van ruïnen, welker pracht en grootte de aanschouwer op het allerzeerst met verbazing vervullen..