2 Kronieken 6:12-42
Salomo had in de voorgaande verzen de acte van opdracht, waarmee de tempel aan de eer en de dienst van God gewijd was, getekend ten verzegeld als het ware. Nu bidt hij hier dit inwijdingsgebed, waardoor hij een type werd van Christus, de grote Middelaar, door wie wij al onze gebeden tot God moeten opzenden en alle gunsten van God moeten verwachten, en op wie wij het oog moeten hebben in alles, waarin wij met God te doen hebben.
Wij hebben de bijzonderheden van dit gebed besproken bij 1 Koningen 8, en daarom zullen wij nu slechts enkele passages oplezen, die geschikte onderwerpen kunnen zijn voor onze overdenking.
I. Nu en dan zijn hier sommige leerstellige waarheden gegeven. Zoals:
1. Dat de God Israël's een wezen is van weergaloze volkomenheid. Wij kunnen Hem niet beschrijven, maar dit weten wij: er is in hemel noch op aarde niemand Hem gelijk, vers 14. Alle schepselen hebben hun medeschepselen, maar de Schepper heeft geen gelijke. Hij is oneindig ver boven allen: God te prijzen tot in eeuwigheid.
2. Dat Hij trouw is en zijn zal aan ieder woord, dat Hij heeft gesproken, en allen, die Hem in oprechtheid dienen, zullen Hem gewis beide getrouw en goedertieren bevinden. Zij, die zich God geduriglijk voorstellen, en met geheel hun hart voor Zijn aangezicht wandelen, zullen Hem zo goed bevinden te zijn als Zijn woord, ja zij zullen bevinden dat Hij meer doet dan Zijn woord, Hij zal het verbond en de weldadigheid houden en hun genade bewijzen, vers 14.
3. Dat Hij een oneindig en groot wezen is, die de hemelen, ja de hemel van de hemelen niet kunnen bevatten, en aan wiens gelukzaligheid door het uiterste dat wij doen kunnen in Zijn dienst niets toegevoegd kan worden, vers 18. Hij is oneindig ver buiten de grenzen van de schepping, en oneindig ver boven de lof van alle verstandelijke wezens.
4. Dat Hij, en Hij alleen, het hart kent van de kinderen van de mensen, vers 30. Alle gedachten, bedoelingen en genegenheden van de mensen zijn naakt en geopend voor Hem, en hoe de overleggingen en bedoelingen van onze harten ook verborgen mogen wezen voor mensen, engelen en duivelen, voor God kunnen zij niet verborgen zijn, Hij weet niet slechts wat in het hart is, Hij kent het hart zelf, en alle roerselen ervan.
5. Dat er geen zondeloze volmaaktheid gevonden wordt in dit leven, vers 36, geen mens is er, die niet zondigt, ja meer, daar is geen mens, die goed doet en niet zondigt, zoals hij, in overeenstemming met hetgeen hij hier zegt, schrijft in Prediker 7:20.
II. Hier worden enige gevallen ondersteld, waarvan nota genomen moet worden.
1. Hij onderstelt, dat er geschillen ontstaan tussen mens en mens, en dat beide partijen er in toestemmen om een beroep te doen op God, en dat de persoon, wiens getuigenis de zaak beslissen moet, een eed opgelegd wordt, vers 22. Van oudsher werd een Godsdienstige eerbied gekoesterd voor de eed, en het mag ondersteld worden, dat dit zo blijven zal, zolang er nog geweten en verstand onder de mensen overgebleven zijn. 2. Hij onderstelt dat, hoewel Israël thans volkomen vrede en rust geniet, er toch tijden van beroering en onrust voor het volk komen kunnen. Hij dacht niet dat de berg van hun voorspoed zo vastgezet was, dat hij niet bewogen kon worden, ja meer, hij verwachtte dat hij bewogen zal worden door de zonde.
3. Hij onderstelt dat zij, die op andere tijden God niet hadden aangeroepen zich in hun benauwdheid toch tot Hem zullen wenden. Als zij in benauwdheid zijn, zullen zij hun zonden belijden en Uwen naam belijden en U smeken. Moeite, gevaar en verdriet zullen diegenen uitdrijven tot God, die tot Hem gezegd hebben: Wijk van mij, vers 24, 26, 28.
4. Hij onderstelt dat vreemden van verre zullen komen, om de God Israël's te aanbidden en Hem hulde te bewijzen, en ook dit kon redelijkerwijs verwacht worden, in aanmerking genomen wat nietige dingen de goden van de heidenen zijn, en welke bewijzen de God Israël's ervan had gegeven, dat Hij de Heere van de gehele aarde is.
III. Hier zijn zeer gepaste gebeden.
1. Dat God dit huis zal erkennen, er het oog op zal hebben als op de plaats, waarvan Hij gezegd heeft dat Hij er Zijn naam zal zetten, vers 20. Hij zou in het geloof niet hebben kunnen vragen dat God boven ieder ander huis aan dit huis zo'n bijzondere gunst zou betonen, indien Hij niet zelf gezegd had dat Hij het tot Zijn huis zal maken in eeuwigheid. Het gebed, dat voorspoedig zal zijn, moet steunen op het woord. Wij kunnen met nederig vertrouwen God bidden om in Jezus Christus een welbehagen in ons te hebben, omdat Hij zelf verklaard heeft een welbehagen te hebben in Hem: Dit is Mijn geliefde Zoon, maar van geen huis zegt Hij thans: "Dit is de plaats, die Ik liefheb."
2. Dat God de gebeden zou horen en verhoren, die in of naar deze plaats gedaan zouden worden, vers 21. Hij vraagt niet dat God hen zal helpen, hetzij al of niet voor zichzelf zullen bidden, maar dat God hen zal helpen in verhoring van hun gebed. Zelfs Christus' voorbede vervangt onze smekingen niet, maar moedigt ze aan. Hij bidt dat God zou horen van Zijn woning in de hemel, die nog Zijn woning is, niet deze tempel, en vandaar moet de hulp komen. Hoor en vergeef. De vergeving van een zonde is hetgeen plaats maakt de weg bereidt, voor al de andere verhoringen van onze gebeden. `Removendo prohibens' -het kwaad, dat er door weggedreven wordt, wordt er door weggehouden.
3. Dat God op ieder beroep, dat op Hem gedaan wordt, naar recht zal oordelen, vers 23, 30. Hier kunnen wij in het geloof om bidden omdat wij er zeker van zijn, dat het geschieden zal. God zit op de troon richtende gerechtigheid, Psalm 9:5.
4. Dat God in genade wenden zal tot Zijn volk, als zij zich in berouw en bekering tot Hem wenden, vers 25, 27, 38, 39. Ook hierom mogen wij bidden in het geloof, steunende op de herhaalde verklaringen door God gedaan van Zijn bereidwilligheid om berouwvolle zondaren aan te nemen.
5. Dat God de vreemdelingen welkom zal heten in zijn huis en hun gebeden zal verhoren, vers 33 , want zo er ten opzichte van plicht enerlei wet is voor de vreemdeling en voor de inboorling, Leviticus 24:22, waarom dan ook niet ten opzichte van de voorrechten? 6. Dat God bij alle gelegenheden de zaak van Zijn volk Israël zal voorstaan en handhaven tegenover allen, die hen tegenstaan vers 35 : voer hun recht uit, en weer in vers 39.
Indien zij het Israël Gods zijn, dan is hun zaak Gods zaak die Hij zal omhelzen.
Eindelijk. Hij besluit zijn gebed met enige uitdrukkingen, die hij van zijn Godvruchtigen vader had geleerd en aan een van zijn psalmen heeft ontleend. Wij hadden die niet in 1 Koningen maar hier hebben wij ze in vers 41, 42.
Het gehele woord Gods is nuttig om ons te leiden in ons bidden, en hoe kunnen wij ons in betere taal bij God uitdrukken, dan in de taal van Zijn eigen Geest? Maar deze woorden zijn in bijzonderen zin nuttig, om Salomo in zijn gebed te leiden, omdat zij betrekking hebben op het werk, dat hij nu deed. Wij hebben ze in Psalm 132:8-10. Hij bidt in vers 41 :
A. Dat God bezit zal nemen van de tempel en er bezit van zal houden, dat Hij hem tot Zijn rust zal maken. Gij en de ark, wat zal de ark doen zonder de God van de ark? Inzettingen zonder de God van de inzettingen?
B. Dat Hij de dienaren van de tempel tot een openbaren zegen zal maken: laat de priesters met heil bekleed worden, dat is: behoud hen niet slechts, maar maak hen tot werktuigen om anderen te behouden door de offeranden van de gerechtigheid te offeren.
C. Dat de tempeldienst in overvloedige mate tot blijdschap en voldoening zal strekken van al het volk des Heeren, laat Uw gunstgenoten over het goede blijde zijn, dat is: over het goede van Uw huis, Psalm 65:5. Laat allen die evenals de kamerling, hier komen om te aanbidden, hun weg reizen met blijdschap. Hij pleit op twee dingen, vers 42.
a. Op zijn eigen betrekking tot God: "Wend het aangezicht Uws gezalfden niet af. Heere, Gij hebt mij koning gemaakt, zult Gij mij dan niet erkennen?"
b. Op Gods verbond met zijn vader: gedenk van de weldadigheden Davids Uws knechts. Davids vroomheid voor Gods, zo verstaan sommigen het, en zo is soms de betekenis van het woord, zijn vrome zorg voor de ark, en belangstelling er in. Zie Psalm 132:1, 2 en verder..
Of wel, de beloften van God aan David, die weldadigheden voor hem waren, zijn steun en troost in al zijn benauwdheden. Wij kunnen evenals Salomo hier, pleiten met het oog op Christus. Wij verdienen dat God ons aangezicht afwendt, dat Hij ons en onze gebeden afwijst, maar wij komen in de naam van de Heere Jezus, Uw Gezalfde, Uw Messias, zoals het woord is, Uw Christus, zoals de LXX het hebben. Hem hoort Gij altijd, Zijn aangezicht zult Gij nooit afwenden. Wij hebben geen gerechtigheid van onszelf om op te pleiten, maar Heere, gedenk de weldadigheden Davids, Uws knechts. Christus is Gods knecht, Jesaja 42:1, en wordt David genoemd, Hosea 3:5.
Heere, gedenk van Zijn weldadigheden, en neem, vanwege dezen, ons aan. Gedenk van Zijn tedere zorg voor de eer Zijns Vaders en het heil van de mensen, en wat Hij om dat beginsel gedaan en geleden heeft. Gedenk van de beloften van het eeuwig verbond, dat uit vrije genade in Christus met ons gemaakt is, en die genoemd worden de gewisse weldadigheden Davids, Jesaja 55:3, Handelingen 13:34. Dit moet al onze begeerte zijn, al onze hoop, al ons gebed, en geheel onze pleitgrond, want het is geheel ons heil.