2 Kronieken 35:1-19
Josia's uitroeiing van afgoden en afgoderij is in het boek van de Koningen uitvoerig verhaard, maar hier slechts even vermeld in het vorige hoofdstuk, vers 33. Maar zijn viering van het pascha, die daar slechts als terloops werd meegedeeld, 2 Koningen 23:21, wordt hier zeer omstandig verhaald.
Vele waren de feesten des Heeren, die door de wet waren voorgeschreven, maar het pascha was het voornaamste ervan, het begon ze allen in de nacht toen Israël uit Egypte toog, en het besloot ze allen in de nacht toen Christus verraden werd.
Door de viering ervan hebben Hizkia en Josia, de twee grote hervormers in hun tijd, de Godsdienst doen herleven. De inzetting van des Heeren Avondmaal gelijkt meer op het pascha dan op een van de andere Joodse feesten, en de rechte waarneming van die inzetting overeenkomstig de regel is een bewijs van en een middel tot de toenemende zuiverheid en schoonheid van de kerken en van de toenemende Godsvrucht van particuliere Christenen.
Waar dat pascha of geheel veronachtzaamd of niet naar de rechte wijze wordt waargenomen, kan de Godsdienst niet bloeien, keer daartoe terug, doe dit herleven, maak deze aandoenlijke inzetting tot een plechtige feestviering, en dan kan men hopen dat ook voor andere zaken een hervorming tot stand zal komen.
In het bericht, dat wij hadden van Hizkia's vieren van het pascha, was de grote ijver van het volk opmerkelijk en de Godvruchtige vervoering van liefde tot God, waarin zij waren, maar hier zien wij daar weinig van. Het was meer uit inschikkelijkheid voor de koning, dat zij het pascha hielden, dan uit een grote neiging, die zij er zelf voor hadden. Men vond ook wel enige roem en eer in deze gedaante van de Godzaligheid, maar zeer weinig behagen in de kracht ervan. Maar hoe gebrekkig het volk nu ook was in het innerlijke waarnemen van die plicht, de magistraten en de bedienaren van de Godsdienst deden het hun om te zorgen dat het uitwendige van de dienst met behoorlijke plechtigheid volbracht zou worden.
I. De koning vermaande en bestuurde de priesters en Levieten, wekte hen op en moedigde hen aan om hun ambt in deze plechtigheid waar te nemen. Misschien zag hij hen nalatig en onverschillig, niet gewillig om van hun gewone routine af te wijken, indien de bedienaren van de Godsdienst zo zijn, dan is het van niemand verkeerd, maar voor magistraten zeer gepast, om hen op te wekken en aan te vuren voor hun werk. "Zegt aan Archippus: zie op de bediening", Colossenzen 4:17.
Laat ons zien hoe deze Godvruchtige koning zijn geestelijkheid bij deze gelegenheid heeft vermaand en aangespoord tot hun plicht.
1. Hij wees hun op hun ambt, waartoe zij door de wet van Mozes waren aangesteld, en op de orde, waarin zij door David en Salomo gerangschikt waren, vers 4.
"Hij stelde hen op hun wachten", vers 2. Hij heeft geen nieuw werk voor hen bedacht, hen ook niet naar een nieuwe methode ingedeeld, maar riep hen terug naar hun oude inrichting. Hun afdelingen waren in geschrifte vastgesteld, laat hen dat voorschrift raadplegen, en zich rangschikken naar de verdeling hunner vaderlijke huizen, vers 5. Onze regel is vastgesteld in het geschreven woord, laat de magistraten er zorg voor dragen dat de leraren naar die regel wandelen, dan doen zij hun plicht.
2. Hij beval dat de ark op haar plaats gesteld zou worden die, naar het schijnt, verplaatst was, hetzij door de slechte koningen, om plaats te maken voor hun afgoden in het heilige van de heiligen, of door Hizkia, om plaats te maken voor de werklieden, die de tempel herstelden. Hoe dit zi1, Josia zegt tot de Levieten: Zet de heilige ark in het huis, vers 3, en draagt haar niet van plaats tot plaats zoals zij in de laatste tijd misschien gedaan hadden, zich verontschuldigende met het gebruik voordat de tempel gebouwd was.
Nu de priesters ontheven waren van die last van de ark, moeten zij zoveel ijveriger zijn in andere diensten, tot hun ambt behorende.
3. Hij gebood hun God te dienen en Zijn volk Israël, vers 3.
Leraren moeten op zichzelf zien als dienaren, beide van Christus en om Zijnentwil van Zijn gemeente, 2 Corinthiers 4:5. Zij moeten zorgzaam zijn, zich moeite geven, en zich zoveel mogelijk ten koste geven:
a. Voor de eer en heerlijkheid van God en om de belangen van Zijn koninkrijk te bevorderen onder de mensen. Paulus, "een dienstknecht Gods," Titus 1:1.
b. Tot welzijn en voordeel van Zijn volk, niet als heerschappij voerende over hun geloof, maar als dienaren van hun heiligheid en blijdschap, en er zal geen moeilijkheid zijn om, in de kracht Gods, deze twee meesters eerlijk te dienen.
4. Hij gebood hun zich te heiligen en hun broederen te bereiden, vers 6. Het werk van de leraren moet tehuis beginnen, in de eerste plaats moeten zij zichzelf heiligen, zich reinigen van zonde zich afzonderen van de wereld en zich toewijden aan God, maar het moet daar niet eindigen, zij moeten doen wat zij kunnen om hun broederen te bereiden door hen te vermanen, te onderwijzen, te bestraffen, op te wekken en te vertroosten.
De bereiding van het hart is voorzeker van de Heere, maar de leraren moeten werktuigen zijn in Zijn hand.
5. Hij sterkte hen tot de dienst, vers 2. Hij sprak naar hun hart, zoals Hizkia gedaan heeft, Hoofdstuk 30:22. Hij beloofde hun zijn steun. Hen, aan wie wij een last opleggen, moeten wij bemoedigen. De meeste mensen hebben het gaarne dat men hen vriendelijk toespreekt, bemoedigingen zullen een betere uitwerking op hen hebben dan dreigementen.
II. De koning en de vorsten, onder de invloed van zijn voorbeeld, gaven ruime bijdragen ter bestrijding van de onkosten van dit pascha.
De ceremoniëele diensten waren kostbaar, hetgeen misschien een reden was, waarom zij veronachtzaamd werden. De mensen hadden geen ijver genoeg om die onkosten te dragen en om die reden hielden zij er nu niet van. Daarom: 1. Heeft Josia de gemeente op zijn kosten van paaslammeren voorzien, alsmede van andere offers, die gedurende de zeven dagen van het feest geofferd moesten worden. Uit zijn eigen have gaf hij dertig duizend lammeren tot paaschofferen, waar de offeraars een feestmaal van konden hebben, en drie duizend runderen, vers 7, om op de volgende zeven dagen geofferd te worden.
Zij, die ernstig zijn in de Godsdienst, moeten, als zij anderen bewegen tot hetgeen goed is, het hun zo goedkoop en gemakkelijk maken als hun slechts mogelijk is. En waar God overvloedig zaait, verwacht Hij dienovereenkomstig te oogsten.
Het is te vrezen dat de gemeente over het algemeen niet wel voorzien gekomen was, zodat, indien Josia niet voor het nodige voor hen gezorgd had, het werk Gods had moeten stilstaan.
2. De vorsten van de priesters, die mannen waren van groten rijkdom, droegen bij in de kosten van de priesters, zoals Josia in die van het volk.
De vorsten, vers 8, dat is: de oversten van de priesters, de vorsten van de heilige stam, de oversten van het huis Gods droegen de kosten van de priesters. En sommigen van de rijken en aanzienlijken van de Levieten voorzagen hen van vee, zowel van runderen als van klein vee voor de paaschofferen, vers 9. Voor hen die oprecht begeren in de weg des plichts te worden gevonden, verwekt God soms vrienden, om hen er in te helpen, boven hetgeen zij hadden kunnen verwachten.
III. De priesters en Levieten hebben hun ambt zeer geredelijk volbracht. Zij slachtten de paaslammeren in het voorhof van, de tempel, de priesters sprengden het bloed op het altaar, de Levieten trokken de huiden af en gaven dan het vlees aan het volk, naar de vaderlijke huizen, vers 11, 12,, niet minder dan tien, en niet meer dan twintig monden voor een lam, dit vlees namen zij mede, braadden het en aten het naar het recht, vers 13.
Van de andere offers, die ten heiligen dienst geschikt waren, werd het vlees gekookt naar de wet op de dankoffers, en snel onder het volk uitgedeeld, ten einde er een feestmaal van te houden ten teken van hun blijdschap in de verzoening, die gedaan was, en hun verzoening met God er door.
Eindelijk. De priesters en Levieten droegen zorg om God te eren door zelf van het pascha te eten, vers 14.
Leraren moeten niet denken dat de zorg, die zij hebben voor de zielen van anderen, hen zal verontschuldigen als zij hun eigen ziel veronachtzamen, of dat hun veelvuldig bezig-zijn in de openbaren eredienst de Godsdienstoefeningen in hun gezin en hun binnenkamer kan vervangen. De Levieten hebben hier voor zichzelf en de priesteren bereid, omdat de priesters de hele dag in de dienst aan het altaar bezig waren, opdat zij dus niet zelf hun lammeren behoefden te bereiden als zij die moesten eten, hebben de Levieten die tegen de tijd van de avondmaaltijd voor hen bereid.
Laat de Evangeliedienaren hieruit leren elkaar te helpen, elkanders werk vooruit te brengen als broederen en mededienstknechten van dezelfde Meester.
IV. De zangers en poortiers waren op hun plaats en deden hun dienst, vers 15. Met hun heilige liederen en muziek hebben de zangers uitdrukking gegeven aan de vreugde van de gemeente en haar nog verder opgewekt, en de dienst aangenaam en lieflijk gemaakt, en de poortiers aan de poorten droegen zorg dat er geen stoornis zou zijn, niets zou geschieden om de vergadering te verontreinigen of te verontrusten, dat niemand tersluiks zou weggaan voordat de dienst geëindigd was.
En terwijl zij aldus bezig waren, hebben hun broederen, de Levieten, paaslammeren voor hen bereid.
V. Geheel de plechtigheid werd met grote nauwkeurigheid overeenkomstig de wet volbracht, vers 16, 17, en in dat opzicht was er sedert de tijd van Samuël zo'n pascha niet gehouden, vers 18,
want in het pascha van Hizkia waren verscheidene onregelmatigheden. En bisschop Patrick merkt op dat het ook hierin ieder ander pascha overtroffen heeft, dat door de vorige koningen gehouden werd, dat Josia, hoewel hij volstrekt zo rijk niet was als David, en Salomo, en Josafat, de gehele gemeente voorzien heeft van paaslammeren en van offerdieren voor het altaar, en dat wel op zijn eigen kosten, hetgeen meer was dan een van de andere koningen, die voor hem geweest zijn, ooit gedaan hebben.