2 Kronieken 33:11-20
Wij hebben hier gezien hoe Manasse door zijn goddeloosheid het goed, dat zijn vader had gedaan, ongedaan maakte, nu zien wij hoe hij door zijn berouw het kwaad ongedaan maakte dat hijzelf gedaan had.
Het is vreemd dat daar in het boek van de Koningen in het geheel geen melding van werd gemaakt, en daar is ook niets, waaruit men zou kunnen opmaken dat hij niet in zijn zonde volhard en er in gestorven is.
Misschien is er de reden van, dat het doel van deze geschiedenis was de zonde des volks aan te tonen, waardoor het verderf over hen gekomen is, terwijl de bekering van Manasse en de weldaad, die er uit voortvloeide, persoonlijk en niet nationaal waren, en daarom met stilzwijgen zijn voorbijgegaan, maar hier wordt die bekering uitvoerig meegedeeld, en zij is een gedenkwaardig voorbeeld van de rijkdom van Gods vergevende genade, en van de macht van Zijn vernieuwende genade. Hier zien wij:
I. Bij welke gelegenheid de bekering van Manasse heeft plaats gehad, namelijk bij zijn beproevingen. In zijn benauwdheid heeft hij niet gelijk "deze koning Achaz, des overtredens tegen de Heere nog meer gemaakt, maar hij verootmoedigde zich en keerde weer tot God".
Geheiligde beproevingen blijken dan gelukkige middelen tot bekering te zijn. Er wordt ons hier gezegd waarin zijn beproeving bestond, vers 11..
God bracht een buitenlandsen vijand over hem, de koning van Babel, die aan zijn vader, die getrouwelijk God had gediend, het hof had gemaakt, viel hem aan, nu hij trouweloos van God was afgevallen.
Hij wordt hier koning van Assyrië genoemd, omdat hij zich meester had gemaakt van Assyrië, dat hij zoveel gemakkelijker kon na de verdelging van Sanheribs leger voor Jeruzalem. Hij had het gemunt op de schatten, die de gezanten hadden gezien, en alle kostelijke dingen, maar God zond hem om een zondig volk te kastijden en een afgedwaalden vorst terug te brengen op de rechten weg.
De krijgsoversten namen Manasse onder de doornen, in het een of ander struikgewas in zijn tuin misschien, waar hij zich verborgen had. Of wel, het is overdrachtelijk gezegd: hij was in een doornigen, kommervollen toestand, in verwarring en verlegenheid, en wist zich niet te redden, en zo werd hij een gemakkelijke prooi voor de Assyrische krijgsoversten, die ongetwijfeld zijn huis hebben geplunderd, weggenomen hebben wat hun behaagde gelijk Jesaja voorzegd had, 2 Koningen 20:17, 18
Wat Hizkia's trots was, werd hun prooi. Zij bonden Manasse, die tevoren gebonden was door zijn eigen ongerechtigheid en voerden hem gevankelijk naar Babel. In welk tijdstip van zijn regering dit geschied is, wordt ons niet gezegd, de Joden zeggen dat het in zijn twee en twintigste jaar was. II. Zijn bekering, vers 12, 13. Als Hij hem benauwde, hij had nu tijd en reden genoeg om na te denken. Hij zag wat hij over zich had gebracht door zijn zonde, hij vond de goden, die hij gediend had, onmachtig om hem te helpen. Hij wist dat bekering het enige middel was om zijn zaken weer in orde te brengen, en daarom keerde hij weer tot Hem, van wie hij afvallig was geworden.
1. Hij was overtuigd dat Jehovah de enig levende en ware God is. Toen erkende Manasse dat is: toen geloofde en bedacht hij dat de Heere God is. Hij had dit met minder onkosten kunnen te weten komen, zo hij slechts aandacht en geloof had geschonken aan het geschreven en gepredikte woord, maar het was beter deze duren prijs te betalen voor die kennis van God dan om te komen in onwetendheid en ongeloof. Ware hij een vorst geweest in het paleis van Babel, hij zou waarschijnlijk in zijn afgoderij bevestigd zijn, maar een gevangene zijnde in de kerker van Babel, werd hij er nu van overtuigd dat de afgoden valse goden zijn, en werd hij van zijn afgoderij genezen.
2. Hij wendde zich nu tot God als zijn God, alle andere verzakende, en vast besloten zijnde Hem alleen aan te hangen, Hem, de God van zijn vaderen en een God in verbond met hem.
3. Hij vernederde zich zeer voor het aangezicht des Gods van zijn vaderen, had wezenlijk berouw van zijn zonde, schaamde er zich over en vreesde de toorn Gods. Het betaamt zondaren zich te vernederen voor het aangezicht van die God, tegen wie zij overtreden hebben. Het betaamt lijders zich te verootmoedigen onder de hand van die God, die hen kastijdt, en de straf hunner ongerechtigheid aan te nemen. Ons hart behoort onder vernederende omstandigheden nederig te zijn, dan schikken wij er ons naar en beantwoorden aan Gods doel er in.
4. Hij bad Hem om vergeving van zijn zonde en de terugkeer van Zijn gunst. Het gebed is de verlichting van de boetvaardiger, de verlichting van de beproefden. Het is een goed gebed, en in dit geval zeer passend, dat wij in de apocriefe boeken vinden onder het opschrift: "Het gebed van Manasse", koning van Juda, toen hij gevangen was in Babel. Of het al of niet het zijne was, is onzeker, indien het het zijne was, dan geeft hij er eer in aan God, als de God hunner vaderen en van hun rechtvaardig zand, als de Schepper van de wereld, een God, wiens toorn ondraaglijk is, maar wiens genaderijke belofte oneindig is.
Hij pleit dat God bekering en vergeving belooft heeft aan hen, die gezondigd hebben, en bekering voorgeschreven heeft aan zondaren, opdat zij behouden zouden worden, maar niet aan de rechtvaardigen, zoals Abraham, Izak en Jakob, maar aan mij (zegt hij) die een zondaar ben, want ik heb gezondigd, mijne zonden zijn talrijker dan het zand van de zee.
Aldus belijdt hij zijn zonde. "Vergeef mij, o Heere, vergeef mij, en verderf mij niet. Gij zijt de God van hen, die berouw hebben en zich bekeren, en daarom (zo besluit hij) zal ik U loven tot in eeuwigheid".
III. Gods genadig aannemen van zijn berouw. God liet zich van hem verbidden en hoorde zijn smeking. Hoewel het de beproeving is, die ons naar God uitdrijft, zal Hij ons daarom niet verwerpen, indien wij Hem in oprechtheid zoeken, want beproevingen worden gezonden met het doel om ons tot God te brengen. Als een teken van Gods gunst over hem, bereidde Hij een middel tot zijn ontkoming, beproevingen houden niet langer aan dan totdat zij haar werk gedaan hebben, nu Manasse is teruggebracht tot God en zijn plicht, zal hij ook spoedig wedergebracht worden te Jeruzalem in zijn koninkrijk.
Zie hoe bereid God is zondaren, die tot Hem wederkeren, te ontvangen en welkom te heten, en hoe vaardig om genade te betonen. Laat geen grote zondaren wanhopen, daar toch zelfs Manasse op zijn berouw gunst bij God heeft gevonden, in hem heeft God Zijn lankmoedigheid betoond, 1 Timotheus 1:16 , Jesaja 1:18.
IV. De vruchten van de bekering waardig, die hij na zijn terugkeer in zijn eigen land heeft voortgebracht, vers 15, 16.
1. Hij keerde zich af van zijn zonden. Hij nam de vreemde goden weg, de beelden ervan, en de gelijkenis, de afgod (waarin die dan ook bestond) die hij met zoveel plechtigheid in het huis des Heeren had opgericht, alsof die heer en meester was van dat huis. Hij nam de altaren weg, die hij gebouwd had op de berg van het huis des Heeren en te Jeruzalem en hij wierp die buiten de stad als verfoeilijke dingen, die hij nu (naar wij hopen) evenzeer verafschuwde als hij ze ooit had bemind, en zei: "Henen uit!" Jesaja 30:22. "Wat heb ik meer met de afgoden te doen? Ik heb er genoeg van."
2. Hij keerde terug tot zijn plicht, want hij herstelde het altaar des Heeren dat of geschonden en afgebroken was door sommigen van de afgodische priesters 6f dat tenminste veronachtzaamd en in verval was geraakt. Hij offerde daarop dankofferen om Gods gunst af te smeken en lofofferen om Hem te loven voor zijn verlossing. Ja meer, thans gebruikte hij zijn macht tot reformatie van zijn volk, gelijk hij haar tevoren misbruikt had om hen te verderven. Hij zei tot Juda dat zij de Heere, de God Israëls, dienen zouden.
Zij, die waarlijk berouw hebben van hun zonden, zullen niet slechts zelf wederkeren tot God, maar alles doen wat zij kunnen om diegenen terug te brengen, die zij door hun voorbeeld verleid en van God afgetrokken hebben, want anders herstellen zij niet-zoals zij behoorden-wat zij verkeerd gedaan hebben, en maken de pleister niet zo groot als de wond. Wij zien dat hij bij hen overmocht om hen van hun valse goden af te brengen, maar niet van hun hoogten, vers 17.
Daarop offerden zij nog, hoewel de Heere, hun God Manasse kon de reformatie niet zover doorvoeren als hij het bederf doorgevoerd had. Het is gemakkelijk van de mensen zeden te verderven, maar niet zo gemakkelijk om ze wederom te hervormen.
V. Zijn voorspoed enigermate, na zijn bekering. Hij kon duidelijk zien dat het zonde was, die hem in het verderf had gestort, want toen hij tot God terugkeerde in de weg des plichts, is God tot hem wedergekeerd in de weg van zegen en genade, en toen bouwde hij de buitenmuur aan de stad Davids, vers 14, want door zonde had hij haar ontmanteld en haar blootgelegd voor de vijand.
Hij legde ook krijgsoversten in de vaste steden ter beveiliging van zijn land. Josefus zegt dat hij gedurende zijn verder leven zo ten goede veranderd was, dat hij als een zeer gelukkig man beschouwd werd.
Eindelijk. Hier is het einde van zijn geschiedenis. Voor een volledig bericht ervan worden wij verwezen naar geschriften, die toen in wezen waren, en er worden meer hoofden van opgegeven dan van de geschiedenis van de andere koningen, vers 18, 19. Er schijnt bijzonder aantekening gehouden te zijn:
1. Van al zijn zonde en overtreding, de plaatsen daar hij hoogten op gebouwd, bossen en gesneden beelden gesteld heeft, eer hij vernederd werd.
Waarschijnlijk werd zij genomen van zijn eigen belijdenis, die hij gedaan heeft van zijn zonde, toen God hem berouw en bekering gaf, en heeft hij haar doen schrijven in een boek, getiteld: de woorden van de zieners. Aan deze zieners, die tot hem gesproken hebben, vers 18, om hem te bestraffen voor zijn zonde, zond hij deze belijdenis, toen hij zich bekeerd had, om opgenomen te worden in hun eigen gedenkschriften, als een teken van zijn dankbaarheid aan hen voor hun vriendelijkheid in hem te bestraffen.
Aldus betaamt het boetelingen te erkennen dat hunner de beschaamdheid is des aangezichts, hun bestraffers te danken en anderen te waarschuwen.
2. Van de woorden van de zieners, die tot hem gesproken hebben in de naam des Heeren, vers 10, 18, de bestraffingen, die zij hem gaven voor zijn zonde, en hun vermaningen tot berouw en bekering.
Zondaren moeten bedenken dat, hoe weinig zij ook achtgeven op de woorden van de zieners, die tot hen spreken van Gods wege, om hen te bestraffen voor hun zonden, en hen te waarschuwen voor hun gevaar, er van die woorden toch rekening wordt gehouden, en dat zij in de groten dag tegen hen getuigen.
3. Van zijn gebed tot God, (dat wordt als iets merkwaardigs twee maal vermeld) en hoe zich God van hem heeft laten verbidden.
Dit was geschreven voor de toekomende geslachten, opdat het volk, dat geboren zal worden, de Heere zou loven voor Zijn bereidheid om afgedwaalde zondaren, die zich bekeren, wederom aan te nemen.
Er wordt nota genomen van de plaats, waar hij begraven werd, niet in de graven van de koningen, maar in zijn eigen huis. Hij werd in stilte begraven, en bij zijn dood werd hem de eer niet bewezen, die aan zijn vader bewezen was. Boetvaardigen kunnen eerder hun rust en vertroosting herkrijgen dan hun eer.