2 Kronieken 26:1-15
Wij hebben hier betreffende Uzzia een bericht van twee dingen.
I. Zijn Godsvrucht. Hij was er niet zeer uitnemend of ijverig in, maar toch, hij deed wat recht was in de ogen des Heeren, hij hield de zuivere aanbidding van de ware God in stand, zoals zijn vader gedaan had, maar hierin beter dan zijn vader, dat wij geen reden hebben om te denken dat hij ooit afgoden heeft aangebeden, zoals zijn vader gedaan heeft, neen, zelfs niet in zijn laatste dagen, toen zijn hart zich verhief.
In vers 5 wordt gezegd, dat hij zich begaf om God te zoeken in de dagen van Zacharia, die, naar sommigen denken, de zoon was van die Zacharia, die zijn grootvader Joas gedood had.
Deze Zacharia was verstandig in de gezichten Gods, hetzij in de gezichten, waarmee hijzelf bevoorrecht werd of in de gezichten van de vroegere profeten. Hij was zeer bekend en vertrouwd met profetie, had veel gemeenschap met de bovenwereld, was een verstandig, vroom en goed man, en hij schijnt groten invloed gehad te hebben op Uzzia.
Gelukkig de voorname grote mannen, die van de zodanigen omringd zijn en zich door hen willen laten raden, maar rampzalig dezulken, die God alleen maar zoeken zolang zij deze mannen om zich heen hebben, en die in zichzelf geen beginsel hebben om hen tot het einde op de rechten weg te houden.
II. Zijn voorspoed. In het algemeen: In de dagen nu dat hij de Heere zocht maakte hem God voorspoedig. Diegenen alleen zijn voorspoedig, die door God voorspoedig worden gemaakt, want voorspoed is Zijn gave.
Godsdienst en vroomheid bevorderen uitwendige voorspoed. Velen hebben bevonden en erkend dat zij, zolang zij de Heere zochten en zich dicht aan hun plicht hielden, voorspoedig waren, maar dat sedert zij God verlieten alles hun tegenliep.
A. Zijn voorspoed in de krijg. God hielp hem, vers 7, en toen triomfeerde hij over de Filistijnen, de oude vijanden van Gods volk, hij brak de fortificaties hunner steden af, en legde bezettingen er in, vers 6. Hij noodzaakte de Ammonieten hem schatting te betalen, vers 8. Hij maakte allen om hem heen rustig en hield hen in ontzag.
B. De grootheid van zijn roem. Zijn naam was bekend en vermaard in al de naburige landen, vers 8, en het was een goede naam een naam van goede dingen voor God en Zijn volk. Dit is ware roem en maakt de mens waarlijk eerwaardig.
C. Zijn gebouwen. Terwijl hij aanvallenderwijs optrad buitenslands, verwaarloosde hij toch de weerbaarheid niet van zijn eigen rijk, hij bouwde torens te Jeruzalem en versterkte ze, vers 9.
Een groot gedeelte van de muur van Jeruzalem werd in de tijd zijns vaders afgebroken, inzonderheid aan de Hoekpoort, Hoofdst, 25:23.. Zijn vader had hem waarschijnlijk hersteld, maar om eenzelfde onheil in het vervolg te voorkomen, heeft hij, Uzzia, hem versterkt, hij bouwde een toren aan de Hoekpoort. Maar zijn beste versterking van Jeruzalem was zijn dicht blijven bij de aanbidding Gods, indien zijn vader die niet had verlaten, de muur van Jeruzalem zou niet afgebroken zijn.
Toen hij de staaf versterkte, vergat hij ook het land niet, maar bouwde ook in de woestijn, vers 10, om het landvolk te beschermen tegen de invallen van de plunderaars, welker benden hen soms verschrikten en uitplunderden, zoals wij lezen in Hoofdstuk 21:16, 17.
D. Zijn landbouw. Hij handelde veel in vee en koren, stelde vele handen aan het werk en verkreeg er veel rijkdom door want hij schepte er behagen in, hij was een liefhebber van de landbouw, vers 10, en waarschijnlijk hield hijzelf het opzicht over zijn zaken op het land hetgeen volstrekt geen verkleining voor hem was maar een voordeel, daar het de industrie van zijn onderdanen aanmoedigde.
Het is een eer voor het beroep van de landman, dat een van de doorluchtigste vorsten uit het huis van David dit beroep volgde en beminde. Hij behoorde niet tot hen, die zich verlustigen in de krijg, ook gaf hij zich niet over aan sport en vermaak, maar schepte behagen in de onschuldige genoegens en bezigheden van de landbouwer.
E. Zijn staande legers. Hij schijnt twee militaire inrichtingen gehad te hebben.
a. Een heirkracht van geoefenden ten oorlog, die strooptochten moesten doen buitenslands, uittrekkende ten heire bij benden, vers 11. Zij brachten buit binnen van de naburige landen bij wijze van weerwraak wegens de rooftochten, die zij zo dikwijls in Juda gedaan hadden.
b. Een ander leger van wachten en garnizoenen, die het land moesten verdedigen als het werd aangevallen, vers 12, 13.
Zo groot was hun aantal en hun kloekmoedigheid, dat zij oorlog voerden met grote kracht, vers 13, geen vijand durfde hun het hoofd bieden, tenminste was geen vijand tegen hen bestand.
Ongewapende mannen kunnen weinig uitrichten in de krijg, daarom heeft Uzzia zich voorzien van een goed tuighuis, waaruit hij zijn soldaten goed voorzag van wapenen ten aanval en ter verdediging, vers 14, spiesen en schilden, bogen en slingers, helmen en pantsers, zwaarden worden niet genoemd, omdat ieder man waarschijnlijk een eigen zwaard had, dat hij altijd droeg.
In zijn tijd werden werktuigen uitgevonden om belegeraars te beschieten met pijlen en stenen, die van de torens en bolwerken afgeschoten werden, vers 15.
Hoe betreurenswaardig is het dat krijgen en vechterijen, die voortkomen uit van de mensen wellusten, het nodig gemaakt hebben dat kunstige werkmeesters hun kunde en bekwaamheid aanwenden om werktuigen des doods uit te denken en te vervaardigen!