2 Kronieken 18:1-3
1. Hier is Josafat toenemende in grootheid. In Hoofdstuk 17 werd gezegd: hij had rijkdom en eer in menigte, en hier wordt het wederom gezegd, zijn rijkdom en eer namen toe door Godsvrucht en goed beleid.
2. Maar hij nam niet toe in wijsheid, want dan zou hij zich niet verenigd hebben met Achab, die ontaarden Israëliet, die zich verkocht had om te doen dat kwaad was in de ogen des Heeren. Welk goed kon hij verkrijgen door een man, die zo slecht was?
Welk goed kon hij doen aan een man, die zo'n hardnekkig afgodendienaar en vervolger was? Met hem verzwagerde hij zich, dat is: hij huwde zijn zoon Joram aan Achabs dochter Athalia, het slechtste huwelijk, dat ooit door iemand uit het huis van David was aangegaan, ik vraag mij af welk goed Josafat er zich van voorstelde.
a. Misschien was het hoogmoed, die tot het sluiten van dit huwelijk aanzette, zoals menig ander huwelijk uit hoogmoed werd aangegaan, waarvan. de boze gevolgen dan niet zijn uitgebleven. Zijn Godsdienst verbood hem zijn zoon uit te huwelijken aan een dochter van een van de heidense vorsten, die rondom hem waren.
Gij zult hun dochters niet nemen voor uw zonen, en daar hij rijkdom en eer had in menigte, achtte hij het een verkleining voor hem om zijn zoon met de dochter van een van de onderdanen te doen trouwen. Het moest een koningsdochter wezen, en dus de dochter van Achab, weinig bedenkende wat Isebel, haar moeder, was. Sommigen denken dat hij het deed uit staatkunde, hopende hierdoor de twee rijken te verenigen in zijn zoon daar Achab hem misschien vleide met de belofte hem tot zijn erfgenaam te zullen maken, terwijl hij dit toch volstrekt niet van plan was.
Dit huwelijk bracht Josafat:
a.a. In vertrouwelijke gemeenzaamheid met Achab, hij bracht hem een bezoek te Samaria. En Achab trots op de eer, die Josafat hem aandeed, richtte een prachtig feestmaal aan tot zijn eer overeenkomstig de pracht van die tijden hij slachtte schapen en runderen voor hem in menigte, overvloed van eenvoudige spijzen, vers 2.
Hierin wandelde Josafat niet zo nauwgezet in de wegen van zijn vader David als hij had behoren te doen, want David haatte de vergadering van de boosdoeners, en bij de goddelozen zat hij niet Psalm 26:5, noch begeerde hij van hun lekkernijen te eten, Psalm 141:4.
b.b. In een verbond met Achab tegen de Syriërs. Achab bewoog hem om zijn krijgsmacht te verenigen met de zijne in een expeditie ter herovering van Ramoth in Gilead, een stad in de stam van Gad aan de andere kant van de Jordaan. Wist Achab niet dat deze en alle andere steden Israëls naar recht behoorden aan Josafat als erfgenaam van het huis van David? Hoe kon hij dan de onbeschaamdheid hebben om aan Josafat te vragen hem behulpzaam te zijn in haar herovering voor zichzelf, wiens recht op de kroon door overweldiging was verkregen en zeer wankel stond? Maar Josafat, die een zeer inschikkelijk man was, belooft met hem te gaan: ik zal zijn gelijk gij zijt, vers 3. De vriendelijkheid van sommige mensen is even gevaarlijk als hun gezelschap besmettelijk is. De maaltijd, die Achab voor Josafat had aangericht, was bestemd om hem mee te tronen op deze veldtocht. De kussen des haters zijn af te bidden.