2 Kronieken 15:8-19
Hier wordt ons gezegd welke goede uitwerking de bovenvermelde prediking op Asa gehad heeft.
I. Hij werd moediger voor God dan hij geweest is. Zijn overwinning kon hem wel nieuwe goede besluiten hebben doen opvatten maar deze boodschap van God deed dit nog veel meer.
Nu greep hij moed, hij zag hoe noodzakelijk het was voort te gaan met de hervorming, en hoe God met hem was in dit werk, en dit maakte hem stoutmoedig, hielp hem heen over de moeilijkheden, die hem tevoren afgeschrikt hadden, en hem van de onderneming verder hadden teruggehouden.
Nu waagde hij het om al de gruwelijke afgoden te vernietigen (en alle afgoderijen zijn gruwelijk, 1 Petrus 4:3) zo ver zijn macht slechts reikte. Weg met die allen!
Hij vernieuwde ook het altaar des Heeren, dat zich in slechte toestand schijnt bevonden te hebben, hoewel het niet meer dan vijf en dertig jaren geleden was sedert Salomo, die het had opgericht, zijn hoofd had neergelegd. Zo spoedig begonnen deze ceremoniëele inzettingen oud te worden, als dingen, die in de volheid des tijds verdwijnen moesten, Hebreeën 8:13.
II. Hij strekte zijn invloed nog verder uit dan tevoren, vers 9. Hij riep een plechtige vergadering bijeen, en liet haar inzonderheid bijwonen door de vreemdelingen, die uit de tien stammen tot hen waren overgekomen.
1. Hun komst was een grote aanmoediging voor hem, omdat zij zagen dat de Heere, zijn God, met hem was.
Het is goed om met hen te zijn, met wie God is, in betrekking te komen en vriendschap te sluiten met hen, die in de vreze en de gunst Gods leven. Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is, Zacheria 8:23
2. Zijn kennisnemen van hen en de uitnodiging, die hij hun gaf om de algemene vergadering bij te wonen, waren een grote bemoediging voor hen. Alle vreemdelingen moeten geholpen worden, maar zij, die zich aan Gods goede voorzienigheid toevertrouwen, zuiver en alleen om een goede consciëntie te bewaren, zijn dubbele eer waardig.
Asaf gaf orders voor hun vergadering, vers 1, maar er wordt gezegd in vers 10, zij vergaderden zich, zij maakten het tot hun eigen daad, zo ijverig en gewillig waren zij om de orders des konings op te volgen.
Deze bijeenkomst werd gehouden in de derde maand, waarschijnlijk op het pinksterfeest, dat in die maand gevierd moest worden.
III. Hij en zijn volk offerden offeranden aan God, als hun deel van de buit, die zij hadden verkregen, vers 11. Hun offeranden hier waren niets in vergelijking met die van Salomo, Hoofdst, 7:5, wat toe te schrijven was aan de afneming, hetzij van hun ijver of van hun rijkdom, of van beide. Deze offers werden gebracht bij wijze van dankzegging voor de gunsten, die zij hadden ontvangen, en van smeking om verdere gunstbewijzen.
Gebed en lofzegging zijn thans onze geestelijke offeranden. En gelijk hij er zorg voor droeg dat het altaar zijn gave zou hebben, zo droeg hij er ook zorg voor, dat de tempel zijn goud zou hebben. Hij bracht in het huis Gods de geheiligde dingen, vers 18.
Het is eerlijk om Gode te geven wat Godes is. Wat reeds lang voor Hem bestemd was en sedert lang voor Hem was weggelegd, zoals dit met deze geheiligde dingen het geval schijnt geweest te zijn, moet eindelijk voor Hem te koste gelegd worden.
Zal iemand God beroven of uitstellen om Hem te betalen, die altijd gereed en bereid is ons goed te doen?
IV. Zij traden in een verbond met God, berouw ervan hebbende dat zij hun vorige verbintenissen en verplichtingen aan Hem geschonden hadden, en zich vast voornemende om in het vervolg beter te doen. Het is voegzaam en gepast voor berouwhebbenden, voor bekeerlingen, om hun verbond te vernieuwen.
Het voorstel schijnt niet van Asa maar van het volk zelf gekomen te zijn, laat ieder, die een verbond met God aangaat een vrijwilliger zijn. Uw "volk zal zeer gewillig zijn," Psalm 110:3.
Merk op:
1. Wat de inhoud was van dat verbond. Niets anders dan waartoe zij tevoren reeds verplicht waren, en hoewel geen gelofte, of belofte van hen, hun een hogere verplichting kon opleggen dan die, waaronder zij reeds waren door het Goddelijk gebod en voorschrift zal zij er toch toe bijdragen om hun besef van die verplichting sterker en dieper te maken, hen te wapenen tegen verzoeking, en een getuigenis zijn van het billijke en goede van het gebod. En door zich allen te verenigen in dit verbond, hebben zij elkanders handen gesterkt. Tot twee dingen verbonden zij zich.
a. Dat zij zelf naarstiglijk God zouden zoeken, Zijn geboden zouden zoeken, Zijn gunst zouden zoeken. Wat is Godsdienst anders dan een zoeken van God, een vragen naar Hem, een zich wenden tot Hem, en dat wel bij alle gelegenheden? Wij zullen God niet genieten vóór wij in de hemel komen, zolang wij hier zijn moeten wij Hem zoeken. Dat zij Hem zullen zoeken als de God hunner vaderen, zoals hun vaderen Hem gezocht hebben, en vertrouwende op de belofte, gedaan aan hun vaderen, en dat zij dit zullen doen met hun gehele hart en hun gehele ziel, want alleen diegenen zoeken God op Hem welbehaaglijke wijze, die innig en hartelijk met Hem zijn, geheel en al voor Hem zijn in hun zoeken van Hem. Wij maken niets van onze Godsdienst, zo wij er geen hartewerk van maken, God wil het gehele hart of niets, en als een juweel van zo onschatbare waarde gevonden moet worden als Gods gunst is, dan is het wel van de moeite waard om het te zoeken met onze gehele ziel. b. Dat zij, zoveel dit slechts in hun vermogen was, anderen zullen verplichten Hem te zoeken, vers 13. Zij kwamen overeen dat al wie de Heere, de God Israëls, niet zou zoeken, dat is: of andere goden zou aanbidden, of weigeren om zich met hen te verenigen in de aanbidding van de waren God, (die dus of een hardnekkige afgodendienaar of een hardnekkige atheïst was) ter dood gebracht zou worden.
Dit was geen nieuwe wet van hun eigen maaksel, maar een order om de desbetreffende wet van God, Deuteronomium 17:2 en vervolgens, ten uitvoer te doen brengen. Indien deze wet behoorlijk was nagekomen, er zouden niet zoveel gruwelijke afgoden in Juda en Benjamin gevonden zijn, vers 8.
Of de mensen thans, onder het Evangelie, naar die methode genoodzaakt mogen worden om de Heere te zoeken, wordt met recht betwijfeld want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar toch krachtig.
2. Op wat wijze zij dit verbond gemaakt hebben.
a. Met grote blijmoedigheid en alle mogelijke uitdrukkingen van vreugde.
Zij zwoeren de Heere, niet heimelijk alsof zij zich schaamden over hetgeen zij deden, of bevreesd waren om zich met al te sterke banden aan Hem te verbinden, maar met luider stem om hun eigen ijver kenbaar te maken en elkaar te bemoedigen en aan te vuren, en allen waren verblijd over deze eed, vers 14,15.
Zij hebben Gode niet met tegenzin gezworen, maar met alle mogelijke genoegen en voldoening, zoals een bruidegom trouw belooft aan zijn bruid in het huwelijksverbond. Ieder eerlijk Israëliet smaakte genoegen in zijn eigen verbintenis aan God, en allen waren zij tevreden over elkanders verbintenis.
De tijd van de vernieuwing van ons verbond met God moet een tijd wezen van blijdschap en verheuging. En een nationale hervorming kan niet anders dan voldoening geven aan allen, die goed, dat is die Godvruchtig zijn. Het is een eer voor ons, en het maakt ons gelukkig om aan God verbonden te zijn.
b. Zij deden het in grote oprechtheid, met ijver en vastberadenheid, zij hadden met hun gehele hart gezworen en met hun gehele wil Hem gezocht.
De Israëlieten waren nu in een buitengewoon goede gemoedsstemming, o, dat er altijd zo'n hart in hen geweest ware! Dit wordt hier vermeld als een reden waarom zij zich zozeer verblijdden in hetgeen zij deden, het was omdat zij het van harte deden.
Diegenen alleen smaken het genot en de vertroosting van de Godsdienst, die er oprecht in zijn. Wat in geveinsdheid gedaan wordt is slavenwerk. Maar als God het hart heeft, dan hebben wij de blijdschap.
Eindelijk. Er wordt ons gezegd wat de uitwerking was van dit plechtig verbondsluiten met God. 1. God heeft hun wèl gedaan. Hij werd van hen gevonden, en Hij gaf hun rust van rondom, vers 15 zodat er nog lange tijd daarna geen oorlog was, vers 19, geen open, algemene krijg, hoewel er voortdurend gekrakeel was tussen Juda en Israël aan de grenzen, 1 Koningen 15:16. Nationale Godsvrucht brengt nationale zegeningen teweeg.
2. Zij hebben over het algemeen wèlgedaan tegenover Hem.
Zij hebben de reformatie zo ver doorgevoerd, dat Maächa, de koningin-moeder, afgezet werd wegens afgoderij, en haar afgod vernield werd, vers 16.
Het was een kloeke daad van Asa, dat hij in hen, die hem het naast waren, geen afgoderij oogluikend wilde toelaten, zoals Levi, die tot zijn vader en zijn moeder zei: "ik zie hem niet", Deuteronomium 33:9.
Asa wist dat hij God meer moest eren dan zijn grootmoeder, en durfde geen afgod in een vertrek van het paleis laten blijven, terwijl hij de afgoden in de steden van zijn rijk vernielde.
Wij mogen onderstellen dat deze Maächa in zover overtuigd was van haar zonde, dat zij bereid was in te stemmen met het verbond waarvan in vers 12 en 13 wordt gesproken, zich verbindende om de Heere te zoeken, en daarom werd zij niet ter dood gebracht, zoals degenen, die weigerden het te ondertekenen, van de kleine tot de grote, van de man tol de vrouw toe.
Misschien hebben zij vrouwen bepaald genoemd met het oog op haar, maar omdat zij een afgodendienares was geweest, achtte Asa het voegzaam haar uit haar waardigheid te ontzetten, en waarschijnlijk heeft hij haar verbannen van het hof en haar in afzondering geplaatst, opdat zij geen invloed zou uitoefenen op anderen of hen zou besmetten.
Toch was de reformatie niet volkomen, de hoogten werden niet weggenomen, wèl velen ervan, Hoofdstuk 14:3, 5.
Die in de steden waren, werden weggenomen, maar niet die in de dorpen van het platteland, of wèl, die in de steden van Juda maar niet die in de steden van Israël, die weer onder het huis van David waren gekomen, of wel, die, welke gebruikt werden in de dienst van de valse goden, maar niet die, welke gebruikt werden in de dienst van de God Israëls, deze liet hij oogluikend toe, en toch was zijn hart volkomen, al zijn dagen. Er kunnen tekortkomingen zijn in sommige bijzondere plichten, waar toch over het geheel het hart oprecht is voor God, oprechtheid is nog iets minder dan zondeloze volmaaktheid.