2 Kronieken 13:1-12
In hoofdstuk 11:20, werd Abia's moeder Maächa, de dochter van Absalom genoemd hier heet zij Michaja, de dochter van Uriël. Hoogstwaarschijnlijk was zij een kleindochter van Absalom, bij zijn dochter Thamar, 2 Samuël 14:27, en dat haar eigen vader deze Uriel was. Maar wij moeten thans Abia vergezellen naar de oorlog met Jerobeam, koning van Israël.
I. God gaf hem verlof om krijg te voeren tegen Jerobeam, en gaf er hem voorspoed in, hoewel Hij het Rehabeam niet wilde toelaten Hoofdstuk 11:4.
1. Waarschijnlijk is Jerobeam nu de aanvaller geweest, en heeft Abia in noodzakelijke zelfverdediging gehandeld. Jerobeam, die Rehabeam had overleefd, heeft misschien op de kroon van Juda aanspraak gemaakt op grond van de staat van overleving, of hoopte haar tenminste van deze jongen koning bij zijn troonsbeklimming te verkrijgen. Het was kloekmoedig van Abia om bij deze onbeschaamden eis de wapens op te vatten, en God stond hem bij.
2. Toen Rehabeam beproefde de tien stammen weer onder zijn heerschappij te brengen was Jerobeam nog in zijn proeftijd ten opzichte van zijn gedrag tegenover God en Godsdienst, maar nu hij getoond had hoedanig een man hij was door de kalveren op te richten en de priesters te verstoten, wordt het aan Abia vergund hem te kastijden, en het blijkt niet, dat hij iets meer bedoelde, terwijl Rehabeam niets minder op het oog had dan de algehele tenonderbrenging van de tien stammen, hetgeen tegen het raadsbesluit Gods was.
II. Jerobeams leger was dubbel zo sterk als dat van Abia, vers 3, want hij had tien stammen waaruit hij zijn leger kon aanwerven, en Abia had er slechts twee. Toch zal het kleinste leger de overwinning behalen, want de strijd is niet altijd van de helden, evenmin als de goede zaak altijd bij de meerderheid is.
III. Eer hij de strijd met hen aanbond, heeft Abia met hen geredeneerd, om hen te bewegen niet om onder de heerschappij van het huls van David terug te keren (die zaak was door het Goddelijk raadsbesluit vastgesteld) maar om er van af te laten tegen het huis van David te strijden. Hij wilde dat zij zich niet zouden versterken tegen het koninkrijk des Heeren, dat in de hand van de zonen Davids is, vers 8, maar tevreden zouden zijn met hetgeen zij hadden.
Het is goed om te beproeven wat de rede vermag eer tot geweld wordt overgegaan. Als het doei bereikt kan worden door redeneren, door kracht van bewijs, dan is dit beter dan het te bereiken door middel van het zwaard.
Nooit moeten wij tot heftige maatregelen de toevlucht nemen, voordat alle argumenten tevergeefs zijn aangewend. De oorlog, deze `ultima ratio regum' -deze laatste toevlucht van de koningen-moet voorafgegaan worden door elk middel om hem te voorkomen. Een goede billijke redenering kan veel goed doen, en veel kwaad voorkomen.
Hoe krachtig zijn rechte woorden! Abia was met zijn leger doorgedrongen tot het hart van hun land, want hij sprak zijn redevoering uit op een heuvel van het gebergte Efraïm, waar hij door Jerobeam gehoord kon worden, alsmede door de voornaamste bevelhebbers, met wie hij waarschijnlijk een onderhandeling wilde openen, om-zo mogelijk-tot een verdrag te komen.
Grote krijgsoversten plachten een rede te houden voor hun eigen soldaten om hen te bemoedigen en aan te vuren, deze rede van Abia had die strekking, maar was gericht tot Jerobeam en geheel Israël.
Abia wijst op twee dingen ter voldoening van zijn eigen mannen, en ter overtuiging van de vijand.
1. Dat het recht aan zijn zijde was, een `jus divinum' -een goddelijk recht. Gij weet of behoort te weten, dat God het koninkrijk over Israël aan David gegeven heeft tot in eeuwigheid, hem en zijn zonen, vers 6 niet door de gewone loop van de voorzienigheid, Zijn gewone wijze om over koninkrijken te beschikken maar door een zoutverbond een eeuwig verbond, een verbond gemaakt door offerande, die altijd gezouten was, aldus bisschop Patrick.
Gans Israël had erkend dat David een koning was, door God aangesteld, en dat God de kroon erfelijk had verklaard in zijn geslacht, zodat het zich meester maken van de kroon door Jerobeam niet te rechtvaardigen was. Het is echter niet zeker dat hij voornamelijk die daad op het oog heeft, want hij wist dat de tien stammen door God aan Jerobeam gegeven waren, maar zijn poging om nu de vrede te verstoren en de bezitting van de koning van Juda te betwisten, was volstrekt niet te verontschuldigen, want de tien stammen waren hem wel gegeven maar twee stammen bleven voor het huis van David bewaard. Hij toont aan:
a. Dat hij bij zijn eerste optreden zeer oneerlijk heeft gehandeld, hij heeft gerebelleerd tegen zijn heer, die hem verhoogd had, 1 Koningen 11:28, en laaghartig zijn voordeel gedaan met Rehabeams zwakheid toen hij in moeilijke omstandigheden was, terwijl hij uit dankbaarheid aan zijn vroegeren heer en uit eerbied voor zijn rechten, hem veeleer had moeten bijstaan en had moeten trachten het volk bij hun trouw aan hem te houden, dan zich aan het hoofd van een partij tegen hem te stellen en hem tot zijn prooi te maken, hetgeen een onwaardig bedrijf was waarin hij niet kon hopen voorspoedig te zullen zijn.
Zij, die hem steunden worden hier ijdele mannen genoemd, (een aanduiding van karakter misschien ontleend aan Richteren 11:mannen die niet uit een vast beginsel handelden maar naar verandering haakten, en kinderen Belials, die zich van het juk van de regering trachtten te ontdoen, en diegenen over zich begeerden te zetten, die precies deden wat hun behaagde.
b. Dat er zeer veel goddeloosheid was in zijn tegenwoordig streven, want door tegen het huls van David te strijden, streed hij tegen het koninkrijk des Heeren. Zij, die het recht tegenstaan, staan de rechtvaardigen God tegen, die gezeten is op de troon richtende gerechtigheid, Psalm 9:5, en op dit hun doen kunnen zij geen voorspoed verwachten. Het recht kan wel voor een tijd onderdrukt worden, maar ten laatste zal het zegevieren.
2. Dat hij God aan zijn zijde had. Zeer nadrukkelijk wijst hij er op, dat de godsdienst van Jerobeam en zijn leger vals en afgodisch was, maar wat hem en zijn volk, de mannen van Juda, betreft, zij aanbaden de waren en levenden God. Uit de hoedanigheid, die in 1 Koningen 15:3 aan Abia wordt toegeschreven, blijkt dat hijzelf niet wezenlijk Godsdienstig was, en toch heeft hij in deze krijg voornamelijk moed ontleend aan het feit, dat in zijn rijk de zuivere aanbidding Gods gevonden werd. Want,
a. Wat hij overigens ook geweest moge zijn, hij schijnt geen afgodendienaar te zijn geweest of, zo hij de hoogten en de zonnebeelden ook oogluikend heeft toegelaten, Hoofdstuk 14:3, 5, de tempeldienst heeft hij toch voortdurend in stand gehouden.
b. Wèlk bederf er in het rijk van Juda ook geweest moge zijn, de toestand van de Godsdienst was er beter dan in het rijk van Israël, waarmee zij nu in oorlog waren.
c. Zij, die de kracht van de Godzaligheid verloochenen, zullen gewoonlijk roemen op de gedaante ervan.
d. Het was de zaak zijns rijke, die hij bepleitte, en hoewel hijzelf niet zo goed was als hij moest wezen, hoopte hij toch dat om de wille van de goede mensen en goede dingen, die in Juda waren, God thans voor hem zou verschijnen.
Er zijn velen, die zelf weinig Godsdienst hebben, maar toch verstand en genade genoeg bezitten om hem in anderen te waarderen. Zie hoe hij:
A. Israëls afval van God beschrijft. Gij zijt een grote menigte," zegt hij, "gij overtreft ons zeer ver in getalsterkte, maar wij behoeven u niet te vrezen, want gij hebt datgene onder u, dat volstaat om u te verderven. Want:
Ten eerste, "gij hebt gouden kalveren tot uw goden, vers 8, die niet instaat zijn u te beschermen en te helpen, maar om wier wille de ware en levende God zich gewis tegen u zal stellen. Dat zullen de Achans, de beroerders van uw leger zijn."
Ten tweede. Gij hebt geringe, slechte mannen tot priesters, vers 9. Gij hebt de stam van Levi en het huis van Aaron verworpen, die door God aangesteld zijn om in het heilige te dienen, en naar de gewoonte van de afgodische volken maakt gij iedereen priester, die zin heeft in het ambt en zich de kosten van de wijding getroost, al is hij dan ook nog zo'n schande voor het ambt."
Maar hoewel deze ongeschikt weren om priesters te wezen, waren zij van allen toch het meest geschikt om hun priesters te zijn, want wat is er meer in overeenstemming met goden die geen goden zijn, dan priesters, die geen priesters zijn? Soort zoekt soort.
B. Juda's getrouw blijven aan God. "Maar ons aangaande, vers 10, wij hebben God niet verlaten.
Jehovah is onze God, de God van onze vaderen, de God Israëls, die machtig is ons te beschermen en ons voorspoed te geven. Hij is met ons, want wij zijn met Hem."
Ten eerste. Tehuis in Zijn tempel, wij nemen Zijn wacht waar, vers 10, 11. Wij aanbidden geen beelden hebben geen andere priesters dan de door Hem verordineerde, geen eredienst of plechtigheden, dan die door Hem zijn voorgeschreven, beide tempeldienst en tempelgereedschappen zijn door Hem verordineerd, aan hetgeen Hij verordineerd heeft houden wij ons, wij voegen er niets aan toe, wij doen er niets van af.
Daar hebben wij de vertroosting van, om deze te verdedigen hebben wij ons nu ten krijg toegerust, zodat ten opzichte van de Godsdienst zowel als van het burgerlijk recht onze zaak de goede zaak is.
Ten tweede. Hier in het leger is Hij onze aanvoerder, en daarom kunnen wij er zeker van zijn dat Hij met ons is, want wij zijn met Hem, vers 12.
En als een teken van Zijn tegenwoordigheid hebben wij hier Zijn priesteren onder ons, met de trompetten des geklanks overeenkomstig Zijn wet, als een getuigenis tegen u, en een verzekering voor ons, dat van onze gedacht zal worden voor het aangezicht des Heeren en dat wij van onze vijanden verlost zullen worden, overeenkomstig Zijn belofte, Numeri 10:9.
Niets is krachtiger om de mensen te bezielen met moed dan de zekerheid dat God met hen is. Hij besluit met een eerlijke waarschuwing aan zijn vijanden: "Strijdt niet tegen de Heere, de God uwer vaderen, het is dwaasheid om tegen de God van almachtige kracht te strijden, maar het is verraad en lage ondankbaarheid om te strijden tegen de God uwer vaderen, en gij kunt niet verwachten voorspoedig te zullen zijn."