2 Kronieken 12:13-16
De geschiedenis van Rehabeams regering wordt hier op tamelijk gelijke wijze ten einde gebracht als die van andere regeringen. Twee dingen inzonderheid zijn hier opmerkelijk
1. Dat hij ten laatste zich versterkte in zijn koninkrijk vers 13.. Zijn vaste steden in Juda hebben niet beantwoord aan zijn verwachting en zo versterkte hij zich dan nu in Jeruzalem en stelde het zich ten plicht die stad te versterken, en daar regeerde hij zeventien jaren in de stad, die de Heere verkoren had om Zijn naam daar te zetten.
Hiermede wordt zijn eer en zijn voorrecht aangeduid, dat hij zijn koninklijke zetel had in de heilige stad, wat echter een verzwaring was van zijn goddeloosheid, nabij de tempel, maar ver van God.
Herhaaldelijk waren er schermutselingen tussen zijn onderdanen en die van Jerobeam, zodat er een staat van voortdurende krijg tussen hen was, vers 15, maar hij handhaafde zich en regeerde, en hij schijnt niet zo grof de wet van God verlaten te hebben als hij in het vierde jaar van zijn regering gedaan heeft, vers 1.
2. Dat hij nooit volkomen bevestigd was in zijn Godsdienst, vers 14.. Hij heeft God nooit geheel verworpen, en toch deed hij dat kwaad was, dewijl hij zijn hart niet richtte, om den HEERE te zoeken. Zie waar de schuld op gelegd wordt.
a. Hij heeft de Heere niet gediend, omdat hij de Heere niet gezocht heeft. Hij heeft niet zoals Salomo, gebeden om wijsheid en genade. Als wij beter baden, wij zouden in alle opzichten beter zijn. Of hij heeft het woord van God niet geraadpleegd, heeft dat niet gezocht als zijn orakel, noch er leiding en bestuur aan ontleend.
b. Hij maakte niets van zijn Godsdienst, omdat hij er zijn hart niet toe begaf, er nooit een hartelijke neiging toe heeft gehad er nooit kloek en vast in is geweest. Het weinigje Godsdienst, dat hij had, ging voorbij als een morgenwolk. En hij deed kwaad, omdat hij nooit vastbesloten was voor het goede. Diegenen worden door Satan gemakkelijk heengetrokken naar ieder kwaad, die wankelend en aarzelend zijn voor hetgeen goed is, en er nooit toe bewogen worden om ernstig werk te maken van de Godsdienst.