2 Corinthiërs 8:16-24
In deze verzen beveelt de apostel de broederen aan, die tot hen gezonden waren om hun liefdegaven in ontvangst te nemen en geeft hun als `t ware, geloofsbrieven, opdat indien iemand aan hun karakter mocht twijfelen of daarnaar onderzoek willen doen, het bekend zou zijn wie zij waren en hoe veilig zij vertrouwd konden worden.
I. Hij beveelt hun Titus aan:
1. Om zijn ernstige zorg en grote toegenegenheid des harten voor hen en zijne begeerte om in alles hun welzijn te bevorderen. Dat wordt met dankbaarheid aan God vermeld, vers 16. Het is een reden van dankbaarheid indien God in de harten van anderen het verlangen gewerkt heeft om ons of anderen enig goed te doen.
2. Om zijn bereidheid voor dezen dienst. Hij heeft dit goede werk op zich genomen en is gewillig tot hen gereisd, vers 17. Het schijnt menigeen een ondankbaar werk om liefdegaven voor anderen te vragen, toch is het een goed werk en we moeten er niet voor terugdeinzen indien we er toe geroepen worden.
II. Hij beveelt den anderen broeder aan, die met Titus gezonden was. Algemeen denkt men dat Lukas die broeder was. Hij wordt aanbevolen:
1. Als een man, die lof heeft in het Evangelie door al de gemeenten, vers 18. Zijn diensten van verscheiden aard waren wèl bekend, en hij had zich lofwaardig betoond in al wat hij gedaan heeft.
2. Als iemand, die door de gemeenten verkoren is, vers 19, en den apostel in zijne bediening toegevoegd. Dat was zeer waarschijnlijk geschied op verlangen en verzoek van Paulus zelf, om te verhoeden, dat ons niemand moge lasteren in dezen overvloed, die van ons wordt bediend, vers 20. Zo zorgvuldig waakte de apostel er tegen, dat kwaadgezinden enige aanleiding vinden konden om hem zwart te maken. Hij wilde niemand aanleiding geven om hem van enige onrechtvaardigheid of partijdigheid in deze zaak te beschuldigen, en achtte het daarom zijn plicht, gelijk het de plicht van alle Christenen is, om niet alleen voor den Heere, maar ook voor de mensen, alle dingen eerlijk te bezorgen, vers 21, dat is: zo voorzichtig te handelen, dat wij, zover ons dat mogelijk is, alle verdenking van ons en alle aanleiding tot schandelijke beschuldigingen voorkomen. Wij leven in een bedilzieke wereld en moeten alle gelegenheid afsnijden voor hen, die altijd zoeken kwaad te spreken. Het is de zonde van anderen, indien ze ons zonder oorzaak verwijten of bedillen, maar het is op zijn minst onvoorzichtig van ons wanneer wij hun daartoe enige aanleiding geven, al bestaat er voor hen geen gegronde reden om zo te handelen.
III. Hij beveelt hun nog een anderen broeder aan, die met de beide reeds genoemden deze zaak kwam behartigen. Men houdt het er voor dat Apollos bedoeld is. Maar wie hij ook zijn moge, hij was reeds in vele dingen beproefd en naarstig bevonden, en daarom geschikt om in deze zaak te dienen. Bovendien had hij grote begeerte naar dit werk, aangezien hij veel vertrouwen en goeden dunk van de Corinthiërs had, vers 22. Het is een grote vertroosting in goede werken bezig te zien degenen, die zich vroeger reeds daarin naarstig betoond hebben. IV. Hij besluit deze aanbeveling met een algemeen goed getuigenis van hen allen, vers 23, als zijn medearbeiders voor hun welzijn, als afgezanten der gemeente, als ene ere van Christus. Zij waren Hem tot een naam en tot roem, zij vergrootten de eer van Christus als Zijne werktuigen en hadden van Christus genade verkregen om getrouw bevonden te worden en in Zijn dienst werkzaam te zijn. Daarna ten besluite wekt hij hen op om hun vrijgevigheid te tonen en daardoor te beantwoorden aan de grote verwachting, die anderen thans van hen hadden, opdat deze afgezanten en de gemeenten zelf een bewijzing hunner liefde tot God en tot hun verdrukte broederen mochten zien en de apostel met goede reden over hen mocht geroemd hebben, vers 24. De goede gedachte, die anderen van ons hebben, moet ons een prikkel tot weldoen zijn.