2 Corinthiërs 8:7-15
In deze verzen gebruikt de apostel verscheidene dringende beweegredenen om de Corinthiërs aan te sporen tot dit goede werk van liefdadigheid.
I. Hij beroept zich op hun voortreffelijkheid in andere gaven en genaden, en verlangt dat zij ook in de liefdadigheid uitmunten zullen, vers 7. Grote bekwaamheid en veel heilige kunst worden hier door den apostel gebruikt. Ten einde de Corinthiërs tot deze goede daad over te halen, prijst hij hen voor het andere goede, dat bij hen gevonden werd. De meeste mensen houden er van geëerd te worden, vooral wanneer wij van hen voor ons zelven of voor anderen een gift vragen, en het is billijk dat wij aan hen, in wie Gods genade schijnt, de hun toekomende eer geven. Merk hier op wat het was, waarin de Corinthiërs overvloedig waren. Het geloof wordt het eerst vermeld, want dat is de wortel: en gelijk het onmogelijk is zonder geloof Gode te behagen, Hebreeën 11:6, zo zullen zij, die overvloedig zijn in geloof, ook overvloedig zijn in andere genaden en goede werken, en dat zal werkzaam zijn en aan het licht treden in liefde. Bij hun geloof kwam het woord, een kostelijke gave, die veel bijdraagt tot de heerlijkheid Gods en het welzijn der gemeente. Velen hebben het geloof, maar missen het woord (de bekwaamheid om zich te uiten). Maar deze Corinthiërs overtroffen de meeste gemeenten in geestelijke gaven, en vooral in het woord, en toch was dat niet in hen, zoals maar al te veel het geval is, uitwerking en bewijs beide van onwetendheid, want bij het woord voegden zij kennis, overvloedige kennis. Zij hadden een schat van oude en nieuwe dingen, en brachten dien door hun woord uit hun schatkamers aan `t licht. Zij waren daarbij overvloedig in naarstigheid. Zij, die grote kennis hebben en gemakkelijk spreken, zijn niet altijd de naarstigste Christenen. Veel-sprekers zijn niet altijd veel-werkers, maar deze Corinthiërs waren naarstig om goed te werken, zowel als om goed te weten en te spreken. Voorts hadden zij overvloedige liefde voor hun dienaren, en geleken niet op zo velen, die, zelf gaven hebbende, zeer geneigd zijn om hun dienaren te minachten en te verwaarlozen. Nu verlangt de apostel, dat ze bij al deze goede dingen nog deze genade zullen voegen van overvloed van liefde voor de armen, dat, waar zoveel goeds gevonden werd, nog meer goeds voorhanden zijn zou. Maar alvorens de apostel overgaat tot een andere beweegreden, draagt hij zorg het misverstand te voorkomen alsof hij voornemens was hun te gebieden en door zijn gezag zware lasten op hen te leggen, en zegt hun, vers 18, dat hij niet spreekt gebiedende of krachtens zijn gezag. Ik zeg mijne mening, vers 10. Hij gebruikt de bereidvaardigheid van anderen om hun voor te stellen wat voor hen betamelijk zal zijn en bewijs geven zal van de oprechtheid hunner liefde, waarvan het een gevolg zijn zou. Er moet groot onderscheid gemaakt worden tussen zedelijke en wettelijke verplichting, en de beoordeling van een zich aanbiedende gelegenheid om goed te doen. Menig ding, dat goed is om te doen, kan daarom nog niet door uitdrukkelijk en onontwijkbaar gebod gezegd worden, altijd onze plicht te zijn.
II. Een andere beweegreden is ontleend aan de beschouwing van de genade onzes Heeren Jezus Christus. De beste beweegredenen tot Christelijke plichten worden ontleend aan de liefde van Christus, die ons dringt. Het voorbeeld van de Macedonische gemeenten was er een, dat de Corinthiërs behoorden na te volgen, maar het voorbeeld van onzen Heere Jezus Christus moest veel groter invloed hebben. En gij weet, zegt de apostel, de genade van onzen Heere Jezus Christus, vers 9, die rijk was, want Hij was God, in macht en heerlijkheid den Vader gelijk, rijk in al de heerlijkheid en zaligheid van de hemelen, en Hij is om uwentwil arm geworden, niet alleen werd Hij om onzentwil mens, Hij werd bovendien arm. Hij werd in armelijke omstandigheden geboren, leidde een armoedig leven, stierf in armoede, en dat was om onzentwil, opdat Hij ons rijk maken zou, rijk in de liefde en de gunst van God, rijk in zegeningen en beloften van het nieuwe verbond, rijk in de hope des eeuwigen levens, erfgenamen van Zijn koninkrijk. Dat is een goede reden waarom wij milddadig met het onze zijn zullen voor de armen, omdat wij zelven leven uit de milddadigheid van onzen Heere Jezus Christus.
III. Een andere beweegreden ontleent hij aan hun goede voornemens en hun aanvang van het goede werk. Hieromtrent zegt hij:
1. Dat het hun oorbaar was te doen wat ze voorgenomen en te voleindigen wat ze begonnen hadden, vers 10, 11. Wat zouden anders hun goede voornemens en aanvang te betekenen hebben? Goede voornemens zijn zeker uitmuntend: ze zijn gelijk knoppen en bloesems, aangenaam voor het oog en vrucht belovend, maar ze zijn verloren en betekenen niets wanneer ze zich niet ontwikkelen. Zo zijn ook goede aanvang en begin beminnelijk, maar wij zullen er al het voordeel van verliezen, indien ze niet worden voortgezet en vrucht voortbrengen. Daarom, omdat hij bij de Corinthiërs bereidheid van wil gezien had, wenste hij dat ze zouden voortvaren, overeenkomstig hun volvaardigheid. Want:
2. Dat is aangenaam bij God. Het volvaardig gemoed is aangenaam, vers 12, wanneer het vergezeld gaat van oprechte pogingen. Wanneer men zich iets goeds voorneemt en, naar vermogen, poogt het te volbrengen, neemt God aan wat men heeft of doen kan, en verwerpt zo iemand niet om hetgeen hij niet heeft en wat niet in zijn macht staat te doen, en dat is voor andere dingen even waar als voor liefdadigheid. Maar laat ons er vooral op letten, dat deze Schriftuurplaats in geen geval hen rechtvaardigt, die denken dat goede voornemens voldoende zijn, en dat edele bedoelingen en het tonen van een gewillig gemoed genoeg zijn voor hun zaligheid. Het maakt aangenaam, inderdaad, maar alleen wanneer het gepaard gaat met een volbrengen van hetgeen waartoe wij instaat zijn, of wanneer de Voorzienigheid de uitvoering verhindert, zoals met David het geval was toen hij den Heere een huis bouwen wilde, 2 Samuël 7..
IV. Een andere beweegreden wordt ontleend aan het onderscheid, dat de Voorzienigheid gemaakt heeft in de verdeling van de aardse goederen, en aan de wisselvalligheid der menselijke zaken, vers 13-15. De kracht van de redenering schijnt deze te zijn: De Voorzienigheid geeft aan sommigen meer, aan anderen minder, van de goederen dezer wereld, en dat wel met het doel, dat zij die overvloed hebben bijdragen zullen om het gebrek der anderen aan te vullen, dus opdat er gelegenheid voor liefdadigheid zij. En voorts, in `t oog houdende de wisselvalligheid van alle menselijke zaken, en hoe spoedig daarin verandering komen kan, zodat zij, die nu overvloed hebben, genoodzaakt worden om zelf in hun behoeften door anderen te laten voorzien, moet dit hen aansporen tot liefdadigheid zolang zij daartoe in de gelegenheid zijn. Het is de wil van God, dat door onze wederkerige hulp, er een soort van gelijkheid kome, niet een volstrekte gelijkheid, of zulk een gelijkmaking, waardoor alle eigendomsrecht zou vernietigd worden, want in dat geval zou er van liefdadigheid geen sprake meer kunnen zijn. Maar in werken van liefdadigheid behoort er enige gelijke verhouding in acht genomen te worden, zodat niet op enkelen al te zware last gelegd wordt, terwijl anderen geheel verschoond blijven, allen behoren zich geroepen te gevoelen om bij te dragen voor hen, die gebrek hebben. Dat wordt toegelicht door de verzameling en verdeling van het manna in de woestijn, waarbij het (zoals we lezen in Exodus 16) de plicht was van elk gezin en van ieder lid des gezins, zoveel te vergaderen als zij konden, waarna het verzamelde verdeeld werd in genoegzame delen voor elk gezin, waarna het hoofd van elk gezin weer verdeelde naar hij zag dat ieder beloofde. Zij, die door zwakte of ouderdom niet veel hadden kunnen bijdragen, ontvingen meer dan zij verzameld hadden, anderen, die veel hadden kunnen bij elkaar brengen, kregen niet meer dan zij voor zich zelven behoefden, en dus hij die veel verzameld had (meer dan hij eten kon) stond af aan hem die weinig verzameld had, zodat de laatste niet tekort kwam. Merk op: De toestand van de mensen in deze wereld is zo, dat wij wederkerig van elkaar afhankelijk zijn en elkaar helpen moeten. Zij, die overvloed van aardse goederen bezitten, hebben toch niet meer dan voedsel en kleding, en zij, die weinig slechts van die goederen hebben, komen zelden tekort. Maar zij, die overvloed hebben, mogen niet dulden dat de anderen gebrek lijden, maar moeten gewillig zijn om te helpen.