2 Koningen 9:11-15
Na een wijle keerde Jehu terug in het vertrek, waar de andere hoofdlieden nog bijeen waren, en hield zich alsof er niets was voorgevallen, daar hij de zaak nog voor zich scheen te willen houden, maar zij drongen hem om er hun mededeling van te doen. Laat ons dus zien wat er tussen hem en de hoofdlieden voorviel.
1. Met welk een minachting spreken deze hoofdlieden van de jonge profeet, vers 11. Waarom is deze onzinnige tot u gekomen? Wat had hij met u te verhandelen? En waarom betoonde gij hem de inschikkelijkheid om hem een afzonderlijk onderhoud toe te staan? Zijn profeten een geschikt gezelschap voor hoofdlieden? Zij noemen hem een onzinnige, omdat hij een van degenen was, die niet met hen meeliepen tot dezelfde uitgieting van de overdadigheid, 1Petr. 4:4, maar een leven leidden van zelfverloochening, doding van het vlees en minachting van de wereld, en hun tijd doorbrachten in oefeningen van de Godsvrucht, om die dingen hielden zij de profeten voor onzinnigen, de profeet is een dwaas, de man des Geestes is onzinnig, Hosea 9:7. Zij, die geen Godsdienst hebben, spreken gewoonlijk met minachting van Godsdienstige mensen, en beschouwen hen als waanzinnigen. Van onze Heiland werd gezegd: Hij is uitzinnig, van Johannes de Doper: Hij heeft een duivel, het is een arme droefgeestige mens, van Paulus: de grote geleerdheid brengt hem tot razernij. De hoogste wijsheid wordt aldus voorgesteld als dwaasheid, en zij, die het beste begrip hebben van zichzelf, als buiten zichzelf te zijn. Misschien heeft Jehu het als een bestraffing bedoeld voor zijn vrienden, toen hij zei: "Gij kent de man, gij weet dat hij een profeet is waarom noemt gij hem dan een onzinnige? Gij kent zijn spraak, gij weet dat zijn wijze van spreken niet voortkomt uit waanzin, maar uit inspiratie, Goddelijke ingeving." Of: "Daar hij een profeet is, kunt gij wel raden waarom hij tot mij kwam, namelijk om mij op mijn gebreken te wijzen, en mij mijn plicht te leren, daar behoef ik u dus geen mededeling van te doen." Zo dacht hij van hen af te komen, maar zij drongen hem om te zeggen wat er was voorgevallen. "Het is leugen", zeggen zij "wij kunnen niet gissen wat hij van u wilde, zeg het ons dus." Aldus er toe gedrongen zijnde, zei hij hun dat de profeet hem tot koning gezalfd had, en waarschijnlijk toonde hij hun de olie op zijn hoofd, vers 12. Hij wist niet of sommigen van hen hem niet misschien, hetzij uit trouw aan Joram of uit afgunst op hem, zouden tegenstaan en de opstand in de geboorte zouden smoren, maar hij steunde op het Goddelijk bestel, en vreesde niet hiervoor uit te komen, wetende op wie hij vertrouwde. Hij, die hem verhoogde, zal hem bijstaan.
2. Met welk een eerbied zij de nieuwe koning begroetten op de eerste kennisgeving van zijn bevordering tot de troon, vers 13. Hoe gering zij ook dachten over de profeet, die hem had gezalfd, en over diens ambt, toch drukten zij grote eerbied uit voor de koninklijke waardigheid van hem, die gezalfd was, en waren zij ijverig om hem met bazuingeschal tot koning uit te roepen. Ten teken van hun onderworpenheid en trouw aan hem, van hun welgezindheid voor zijn persoon en regering, legden zij hun kleren onder hem, om er op te staan of te zitten op de hoogste trap voor de ogen van de krijgslieden, die op de eerste wenk samenkwamen om de plechtigheid mee te vieren. God heeft het hun in het hart gegeven om hem aldus geredelijk te erkennen, want Hij neigt het hart van het volk, zowel als van de koningen, gelijk waterbeken naar welk kanaal het Hem behaagt. Misschien waren zij verontrust onder Jorams regering of hadden zij een bijzondere genegenheid voor Jehu. Hoe dit zij, de dingen waren rijp voor de omwenteling, en allen kwamen zij tot Jehu, en maakten zij een verbintenis tegen Joram, vers 14. 3. Met wat omzichtigheid Jehu te werk ging. Hij was in gunstiger conditie dan Joram, en daar wist hij goed partij van te trekken. Hij was bij het leger, Joram had het verlaten en was zwaar gewond naar huis gegaan. Jehu's verstandig beleid bleek in twee dingen.
a. Hij was vriendschappelijk beleefd tegenover de hoofdlieden en wilde niets doen zonder hun raad en toestemming. "Zo het ulieder wil is, zullen wij zo en zo doen, maar anders niet" waarmee hij zijn eerbied te kennen gaf voor hun oordeel, en zijn vertrouwen in hun trouw, hetgeen hun genoegen deed, en waardoor hij hen aan zich verbond. Het is de wijsheid van hen, die zich willen verheffen en hun verheffing duurzaam willen maken, om hun vrienden mee te nemen.
b. Dat hij aldus het plan heeft beraamd Joram te overvallen en te die einde snel te handelen, om te voorkomen dat hij bericht kreeg van hetgeen er gebeurde. Laat niemand van de stad uittrekken, om dit in Jizreël te gaan verkondigen zodat het verderf als een strik over hem en zijn huis komen zal. Het plotselinge van een aanval draagt soms evenveel bij om hem te doen gelukken, als de kracht er van.