2 Koningen 8:25-29
Evenals er onder gewone personen mensen zijn, die wij klein of onbeduidend noemen, daar zij geen groot figuur maken en zeer weinig in tel zijn, en nog minder op enigerlei prijs worden gesteld, zo zijn er ook onder de koningen sommigen, die wij, in vergelijking met anderen, kleine koningen kunnen noemen. Zodanig een was deze Ahazia, hij maakt een klein figuur in de geschiedenis, en, omdat hij slecht is, is hij gering, van geen waarde in Gods ogen. Het is maar al te duidelijk een bewijs van de verwantschap tussen Josafat en Achab, dat zij dezelfde namen hadden in hun familie, en wel op dezelfde tijd, waarmee zij elkaar, naar wij kunnen veronderstellen, een beleefdheid wilden bewijzen. Achab had twee zonen, Ahazia en Joram, die achtereenvolgens geregeerd hebben, Josafat had een zoon Joram, en een kleinzoon Ahazia genaamd, die evenzo elkaar hebben opgevolgd in de regering. Het is waar: een naam maakt geen natuur, maar het was toch een slecht voorteken voor Josafats geslacht, dat hij namen ontleend heeft aan Achabs geslacht, of, indien deze ongelukkige familie haar namen aan hem ontleend heeft, dan werd er toch de Godvruchtige betekenis niet van meegedeeld aan de personen, die ze droegen. Ahazia, de Heere aangrijpende, en Joram, de Heere is verhoogd.
Ahazia, koning van Israël, had slechts twee jaren geregeerd, Ahazia, koning van Juda, slechts één jaar. Hier wordt ons gezegd dat zijn betrekking tot Achabs familie de aanleidende oorzaak was:
1. Van zijn goddeloosheid, vers 27. hij wandelde in de weg van het huis van Achab, dat afgodische bloeddorstige huis, want zijn moeder was Achabs dochter, vers 26, zodat hij de goddeloosheid met de moedermelk heeft ingezogen. "Partus sequitur ventrem-Het kind zal naar de moeder aarden." Als mannen zich vrouwen kiezen, dan moeten zij er aan denken dat zij moeders kiezen voor hun kinderen en dat het hun plicht is om daarnaar hun keus te regelen.
2. Van zijn val. Joram, de broeder van zijn moeder, heeft hem aangezocht om zich bij hem te voegen voor de herovering van Ramoth in Gilead, een poging, die Achab noodlottig is geweest, en dit was zij ook voor Joram, zijn zoon, want op deze expeditie werd hij gewond, vers 28, en hij keerde terug naar Jizreël om genezen te worden, terwijl hij zijn leger in het bezit van de plaats liet. Ook Ahazia keerde terug, maar ging naar Jizreël om Joram te bezoeken vers 29. Gods voorzienigheid heeft het zo beschikt, dat hij, die door het huis van Achab verleid en verdorven werd, met dit huis zou vergaan, als de mate van hun ongerechtigheid vol was, gelijk wij in het volgende hoofdstuk zien zullen. Zij, die delen in de zonden van de zondaren, moeten verwachten ook in hun plagen te zullen delen.