2 Koningen 8:16-24
Wij hebben hier een kort bericht van het leven en de regering van Joram, een van de slechtsten van de koningen van Juda, maar de zoon en opvolger van Josafat, een van de besten. Ouders kunnen aan hun kinderen geen genade geven, velen, die zelf Godvruchtig waren, hebben het verdriet en de schande gehad om hen die uit hen zijn voortgekomen, goddeloos en slecht te zien, laat de gezinnen, die aldus beproefd worden, dit niet vreemd achten. Als de kinderen van Godvruchtige ouders slecht zijn, dan zijn zij gewoonlijk erger dan anderen, de onreine geest brengt zeven andere mede, bozer dan hij zelf, Lukas 11:26. Een volk wordt soms rechtvaardig gestraft met de ellende van een slechte regering, omdat het van de zegeningen en weldaden van een goede regering geen goed gebruik heeft gemaakt.
Let betreffende deze Joram:
I. Op het algemene denkbeeld, dat hiervan zijn slechtheid wordt gegeven, vers 18, hij deed gelijk het huis van Achab, en erger kon hij niet doen. Zijn karakter wordt getekend naar het slechte voorbeeld, dat hij heeft gevolgd, want de mensen zijn zoals hun gezelschap is en het voorbeeld, dat zij volgen. Geen vergissing is noodlottiger voor jonge lieden dan een vergissing in de keuze van de personen met wie zij omgaan, en naar wier goede mening zij zich schatten. Joram verkoos zich het huis van Achab ten voorbeeld te stellen, liever dan zijns vaders huis, en dat was zijn verderf. Wij vinden een bijzonder bericht van zijn goddeloosheid in 2 Kronieken 21 moord, afgoderij, vervolging, alles wat slecht was.
II. De gelegenheid van zijn slechtheid. Zijn vader was een zeer Godvruchtig man, en heeft er ongetwijfeld zorg voor gedragen hem de goede kennis des Heeren te leren, maar:
1. Het is zeker dat hij verkeerd deed door hem met de dochter van Achab te doen huwen, geen goed kon voortkomen uit een verbintenis met een afgodische familie, maar alle kwaad met zo'n dochter van zo'n moeder, als Athalia, de dochter van Izebel, was. De ontaarding van de oude wereld ontstond uit de ongelijke huwelijken van belijders met onheiligen, zij die slecht gehuwd zijn, zijn reeds half verdorven.
2. Ik vrees dat hij er niet goed aan gedaan heeft om hem nog bij zijn leven koning te maken. Er wordt hier gezegd, vers 16, hij begon te regeren toen Josafat koning was. Hiermede streelde hij zijn hoogmoed, (en niets is verderfelijker voor jonge lieden) gaf hem toe in zijn eerzucht in de hoop van hem door toegeven beter gezind te maken, en zo bracht hij een vloek op zijn geslacht, zoals Eli wiens zonen zich vervloekt hebben gemaakt, en hij heeft hen niet eens zuur aangezien. Josafat heeft deze slechte zoon tot onderkoning aangesteld eens toen hij met Achab naar Ramoth in Gilead aftoog, van welks Josafats zeventiende jaar 1 Koningen 22:51, Jorams tweede jaar gemaakt wordt, Hoofdstuk 1:17, en later in zijn twee en twintigste jaar, toen hij hem deelgenoot heeft gemaakt in de regering, en van dat tijdstip worden Jorams acht jaren gedateerd, drie jaren dus voor de dood van zijn vader. Het is voor vele jonge lieden schadelijk geweest al te vroeg tot hun staat en rang te komen. Samuël heeft er niets mee gewonnen, dat hij zijn zonen tot rechters heeft gemaakt.
III. De bestraffing van de Voorzienigheid, waaronder hij was vanwege zijn goddeloosheid. 1. De Edomieten, die sedert Davids tijd altijd onder de regering van de koningen van Juda zijn geweest, dus ongeveer honderd en twintig jaren, kwamen in opstand, vers 20. Hij beproefde hen tenonder te brengen, en bracht hun een nederlaag toe, maar hij kon zijn overwinning niet zo vervolgen, dat hij zijn heerschappij over hen herwon de Edomieten vielen evenwel af, vers 22, en daarna zijn zij bittere vijanden van de Joden geworden, zoals blijkt uit de profetie van Obadja, en Psalm 137:7. Nu werd Izaks profetie vervuld, dat deze Ezau, de oudste, Jakob, de jongste, zou dienen, maar in vervolg van tijd "zijn juk van zijn hals zal afrukken," Genesis 27:40.
2. In dezelfde tijd viel Libna af. Dat was een stad in Juda, in het hart van het land, een priesterstad. De inwoners van die stad stonden op tegen zijn regering, omdat hij de Heere de God van zijn vaderen had verlaten, en hen gedwongen zou hebben om dit ook te doen, 2 Kronieken 21:10, 11. Om hun Godsdienst in stand te houden, verklaarden zij zich tot een vrije staat, en misschien hebben andere steden dit ook gedaan.
3. Zijn regering was kort, God sneed hem af in het midden van zijn dagen, toen hij pas veertig jaren oud was, en slechts acht jaren had geregeerd, mannen van bloed en bedrog zullen hun dagen niet ter helft brengen.
IV. De genadige zorg van Gods voorzienigheid om het koninkrijk van Juda in het huis van David in stand te houden niettegenstaande de afval en de rampen van Jorams regering, vers 19. Doch de Heere wilde Juda niet verderven. Hij zou het gemakkelijk gekund hebben, Hij zou het rechtvaardig hebben kunnen doen, het zou voor Hem geen verlies zijn geweest, zo Hij het gedaan had, maar Hij wilde het niet doen om Davids wil, niet om enigerlei verdienste van hem, waardoor hij die gunst over zijn geslacht kon eisen, als een verschuldigd recht, maar terwille van een belofte, die hem gedaan was, dat Hij hem te allen tijde voor zijn zonen een lamp zou geven, dat is: een opvolging van koningen van geslacht tot geslacht, door welke zijn naam in ere zou blijven schitteren, zoals een lamp brandend wordt gehouden door een gestadige toevoer van olie. Aldus moet zijn geslacht niet uitsterven, totdat het eindigde in de Messias, die Zoon van David, aan wie men alle heerlijkheid van het huis Zijns vaders zal hangen, en in wiens eeuwig koninkrijk deze belofte aan David vervuld is: "Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht," Psalm 132:17.
Het einde van deze goddeloze en roemloze regering, vers 23, 24. Er wordt ons hier niets bijzonders van hem gezegd, maar in 2 Kronieken 21:19, 20 wordt ons meegedeeld, dat hij stierf aan een ernstige ziekte, en heenging zonder begeerd te zijn.