8. En de koning van Syrië, Benhadad II (
1 Koningen 11:25), voerde krijg tegen Israël, was gedurende de regering van Joram, vooral in den eersten tijd van dezen, ongeveer in 894-892 v.Chr., voortdurend op een voet van oorlog tegen Israël, daar hij menigvuldige invallen deed, en hij beraadslaagde zich met zijne knechten, generaals en officieren, zo dikwijls hij weer zulk ene onderneming voor had, zeggende: Mijne legering zal zijn in de plaats van zulk een'; op die en die plaats zullen wij ons hoofdkwartier opslaan, om van daar onze pogingen tot onderwerping van het land te beginnen.
Wij geven hier ene neven-elkander-plaatsing van berichten over Elisa's werken, ten tijde van koning Joram, volgens chronologische rangschikking, gelijk wij die aannemen: tot deze zijn wij door verschillende redenen geleid, die wij niet alle in `t bijzonder kunnen blootleggen; wij maken voor onze opvatting geen aanspraak op volkomen juistheid, toch zal zij der waarheid zeer nabijkomen en werkelijk tot beter verstand der verschillende gebeurtenissen leiden.
v.Chr.895 Veldtocht tegen Moab (Hoofdstuk .3). Het oliekruikje der weduwe (Hoofdstuk .4:1-7). De Sunamietische (Hoofdstuk 4:8-17).
894-892 Invallen der Syriërs (Hoofdstuk .6:8-20).
890 Opwekking van den zoon der Sunamietische (Hoofdstuk .4:18-37).
890-884 De zevenjarige hongersnood (Hoofdstuk .8:1,2). Wonder in de profeten-school te Gilgal (Hoofdstuk .4:38-44). Het drijvend ijzer (Hoofdstuk .6:1-7). De nood te Samaria en de spoedig volgende goedkope tijd (Hoofdstuk 6:24-7:20).
883 Terugkering der Sunamietische uit het land der Filistijnen (Hoofdstuk .8:3-6). De heling van Naäman (Hoofdstuk 5). Zalving van Hazaël tot koning van Syrië (Hoofdstuk .8:7-15). Oorlog met Hazaël en Joram's verwonding (Hoofdstuk .8:28,29). Jehu's zalving tot koning van Israël, Joram's en Izébel's dood (Hoofdstuk .9:1-37)
Alzo is onze geschiedenis, na de wonderbare hulp bij den veldtocht tegen Moab, ene tweede proef van God om het hart van Joram te winnen, dat hij de valse staatkunde der Israëlitische koningen zal laten varen, zich van zijne goddeloze moeder vrij maken, en met beslistheid aan den Heere verbinden zou, in wie hij zulk een machtigen Helper had, en wiens met zo wonderbare gaven toegeruste profeet hij aan zijne zijde had. Ene derde krachtige aangrijping Gods ondervond daarna Joram nog, tien jaren later in den hongersnood te Samaria (Vers 24), welke zeer versterkt werd door hetgeen Géhazi hem verhaalde, bij gelegenheid zijner ontmoeting van de Sunamietische, zodat hij een sprekend voorbeeld is voor de woorden van Elihu in Job 33:29,: "Zie, dit alles werkt God twee of driemaal met enen man opdat Hij zijne ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden." Nu was ook Joram niet onvatbaar voor betere neigingen; hij bewees meermalen onvoorwaardelijke gehoorzaamheid ten opzichte van het woord des profeten en ontving hem met grote achting, maar tot een werkelijk doorbreken van levend geloof kwam het bij hem niet; hij bleef met zijne wijze van regeren op een halven weg staan (Hoofdstuk .3:2), en terwijl de Syriër Naäman tot de belijdenis van den een, waarachtigen God kwam, ging Gods wonderwerk aan dezen man voor Joram, nutteloos voorbij, hoewel hij door den brief van Syrië's koning, over welken hij eerst zozeer verschrok, totdat Elisa zich als helper aanbood (Hoofdstuk .5:5), genoegzaam aanleiding ontvangen had, om op het handelen en besturen des Heren te letten. Toen was de tijd ten einde, waarop genade zocht, en volgde de tijd van het gericht.. 9. Maar de man Gods, Elisa, zond telkens als zulk een plan door het vijandelijke leger gemaakt was, en dat hij door den Geest Gods ontdekte, henen tot den koning van Israël, opdat deze zijne plannen van tegenweer zou kunnen maken, zeggende: Wacht u, dat gij door die plaats niet trekt, 1) want de Syriërs zijn daarhenen afgekomen 2) en loeren daar op u.
1) In het Hebreeën Meëboor. Wel in den eigenlijken zin "van door te trekken," maar in verband met Vers 10 in de betekenis: van onbezet te laten, zoals Keil aanmerkt. Eerst dan komt Vers 10 tot zijn recht en wordt de handelwijze van den koning recht duidelijk, wanneer wij dit werkwoord vertalen door: onbezet te laten. De profeet waarschuwt den koning, om die en die plaats niet onbezet te laten, raadt hem dus aan, die met troepen te bezetten, opdat de koning van Syrië haar niet overrompele. Daaruit is ook te verklaren de toorn van Syrië's koning.
2) Of "dat gij die plaats niet onbezet laat, want de Syriërs komen daarheen af.".