2 Koningen 6:1-7
Er zijn hier verscheidene dingen op te merken.
I. Betreffende de zonen van de profeten en hun toestand en karakter. De school, waarvan hier gesproken wordt, schijnt die van Gilgal te zijn geweest, want daar bevond zich Elisa, Hoofdstuk 4:38, en het was nabij de Jordaan. Waarschijnlijk zijn overal waar Elisa woonde, zovelen van de zonen van de profeten als slechts konden, tot hem gekomen om het voorrecht te hebben van zijn onderwijs, zijn raad en zijn gebeden. Ieder hunner begeerde bij hem te wonen in zijn nabijheid te zijn. Zij, die leraren willen worden, moeten streven naar de beste middelen om kennis te verkrijgen. Merk nu op:
1. Dat hun aantal toenam, zodat zij gebrek hadden aan ruimte. De plaats is voor ons te eng, vers 1. Dit was aangenaam om te horen, want er blijkt uit dat velen tot hen waren toegedaan. Ongetwijfeld hebben Elisa's wonderen velen tot hem getrokken, misschien namen zij te meer toe, nu Gehazi omslagen was, en waarschijnlijk een eerlijker man in zijn plaats was gekomen om voor hun provisie te zorgen want naar hetgeen wij lazen in Hoofdstuk 4:43 schijnt het, dat Naämans geval niet het enige was, waarin hij zijns meesters edelmoedigheid afkeurde.
2. Het waren nederige mannen, niet gesteld op sierlijkheid of grootheid. Toen zij ruimte nodig hadden, stelden zij niet voor om cederhout en marmer te laten komen, en kunstige werkmeesters, maar alleen, dat ieder van hun een timmerhout zou gaan halen, ten einde er een eenvoudig houten gebouw van op te trekken. Het betaamt de zonen van de profeten, die belijden dat zij naar grote dingen uitzien in de toekomende wereld, met eenvoudige dingen tevreden te zijn in deze wereld.
3. Het waren arme mannen, mannen, die geen invloed hadden bij de groten van de aarde. Het was een teken dat Joram koning was, en ook Izebel nog regeerde, want anders zouden de zonen van de profeten, als zij ruimte nodig hadden, zich slechts tot de regering hebben behoeven te wenden, niet onder elkaar behoeven te beraadslagen, om uitbreiding van hun gebouwen te verkrijgen. Gods profeten zijn zelden in gunst geweest bij de wereld. Ja meer, zij waren zo arm, dat zij niet eens werklieden konden aannemen, maar van hun studie voor het ogenblik moesten aflaten, om zelf het werk te doen, ja zij konden zelfs geen gereedschappen kopen, maar moesten ze van hun naburen lenen. En zo is dan armoede geen hinderpaal voor profetie.
4. Het waren naarstige mannen, bereid en gewillig om zich moeite te geven. Zij begeerden niet als luie hommels, (luie monniken had ik wel kunnen zeggen) te leven van de arbeid van anderen, maar begeerden slechts verlof van hun president om zelf de arbeid te verrichten. Gelijk de zonen van de profeten niet zo in bepeinzing verdiept moeten zijn, dat zij er ongeschikt door worden voor handelen, zo moeten zij zich nog veel minder toegeven in gemakzucht, zodat zij afkerig zijn van werken. Hij die moet eten of sterven, moet werken of verhongeren, 2 Thessalonicenzen 3:8, 10. Laat niemand eerlijke arbeid als een last of een verkleining beschouwen.
5. Het waren mannen, die grote waardering van en eerbied voor Elisa hebben gekoesterd. Hoewel zij zelf profeten waren, hebben zij hem grote achting en eerbied betoond. a. Zij wilden volstrekt niet gaan bouwen zonder zijn toestemming, vers 2. Het is voor ons allen goed om ons eigen oordeel te wantrouwen, zelfs als wij denken dat het op alle rede berust, en begerig te zijn naar de raad van hen, die wijzer zijn en meer ervaring hebben dan wij. En het is inzonderheid aanbevelenswaardig voor de zonen van de profeten, om hun vaders mee te nemen, en in alle zaken van gewicht te handelen onder hun leiding, "permissu superiorem-met verlof van hun meerderen."
b. Zij wilden niet gaarne hun bomen gaan vellen zonder zijn gezelschap: het believe u toch te gaan met uw knechten, vers 3, niet alleen om ons van raad te dienen in het een of ander voorkomend geval maar om goede orde onder ons te houden, opdat wij, onder uw oog zijnde, ons gedragen zoals het ons betaamt." Goede discipelen begeren altijd onder goede discipline te zijn.
6. Het waren eerlijke mannen, mannen, die in zorg waren, om aan ieder het zijne te geven. Toen een van hun met al te heftige beweging de bijl ophief om de slag te geven, zoals zij, die slechts zelden zulk werk verrichten, allicht geneigd zijn te doen-vloog de kop van zijn bijl in het water. Nu zei hij niet: "Het was een ongeluk, en wie kan een ongeluk voorkomen? De steel was er niet goed aan vast, en de eigenaar verdient het verlies te dragen." Neen, met smartelijke bezorgdheid roept hij uit: Ach mijn heer! want het was geleend, vers 5. Ware de bijl zijn eigendom geweest, het zou hem slechts verdrietig gemaakt hebben, dat hij nu niet verder zijn broederen kon helpen in het werk, maar daarbij is het hem een smart, dat hij nu niet rechtvaardig kan zijn tegenover de eigenaar, tegenover wie hij niet slechts rechtvaardig maar ook dankbaar moet wezen. Wij behoren met hetgeen wij van iemand geleend hebben even zorgzaam te zijn als met onze eigen zaken, om het niet te verliezen of te beschadigen, omdat wij onze naaste moeten liefhebben als onszelf, en hem doen zoals wij wensen, dat ons gedaan zal worden. Waarschijnlijk was deze profeet arm, en had hij het geld niet om voor de bijl te betalen, hetgeen het verdriet over het verlies er van nog groter maakte. Voor mensen met een eerlijk gemoed bestaat het grievendste van de armoede hierin, dat zij niet bij machte zijn hun schulden te betalen, niet, dat zij zelf er door aan gebrek en schande zijn blootgesteld.
II. Betreffende Elisa, de vader van de profeten.
1. Dat hij een zeer inschikkelijk en medelijdend man was, hij ging met de zonen van de profeten naar het bos, toen zij zijn gezelschap begeerden, vers 3. Laat niemand, laat inzonderheid geen leraar, zich te groot of te voornaam achten om goed te doen, maar teer en vriendelijk zijn voor allen.
2. Dat hij een man was van grote macht, hij kon ijzer op het water doen drijven tegen deszelfs aard, vers 6, want de God van de natuur is niet aan haar wetten gebonden. Hij heeft de steel niet naar de bijl geworpen, maar sneed een nieuw hout af, en wierp het in de rivier. Wij behoeven het wonder niet te verdubbelen door te veronderstellen dat het hout zonk om het ijzer te halen, het was genoeg, dat het tot teken diende van de Goddelijke roepstem tot het ijzer om te komen bovendrijven. Gods genade kan aldus het steenachtige ijzeren hart opheffen, dat verzonken is in het slijk van deze wereld, en de genegenheden, die van nature uitgaan naar hetgeen aards is, verheffen en doen uitgaan naar hetgeen boven is.