2 Koningen 3:20-27
Wij hebben hier de Goddelijke gave van de beide zaken, die God door Elisa had beloofd, water en overwinning, het eerste niet slechts als een onderpand van het laatste, maar het middel er toe. God, die alle wateren schiepen er over gebiedt, zowel boven als beneden het uitspansel, zond hun plotseling een groten overvloed van water, dat hun een tweeledige dienst bewees.
I. Het kwam hun legers te hulp, die op het punt waren van dorst om te komen, vers 20. En, hetgeen opmerkelijk was, die hulp kwam juist `s morgens, als men het spijsoffer offert, op het altaar te Jeruzalem, op een bepaalde tijd, die algemeen bekend was. Die tijd koos Elisa voor zijn uur van het gebed (waarschijnlijk met de blik naar de tempel gericht, want zo moesten zij doen in hun gebed als zij in de strijd uittrokken en op een afstand gelegerd waren, 1 Koningen 8:44, ten teken van zijn gemeenschap met de tempeldienst en zijn verwachting van voorspoed krachtens de grote offerande. Thans hebben wij geen uur te kiezen, dat wel aangenamer is dan een ander uur, omdat onze Hogepriester ten allen tijde voorbede voor ons doet en op Zijn eigen offerande voor ons pleit. Die tijd koos God voor het uur van de genade en goedertierenheid om eer te leggen op het dagelijkse offer, dat veracht en versmaad werd. God verhoorde Daniëls gebed "omtrent de tijd van het avondoffer," Daniël 9:21, want Hij zal Zijn eigen inzettingen verheerlijken.
II. Het misleidde hun vijanden, die al gereed waren te juichen in hun verderf. De Moabieten ontvangen bericht van de nadering van de verbonden legers. Alle strijdbare mannen, al degenen, die de gordel aangordden en daarboven, werden opgeroepen en naar de grenzen gezonden om ze te weerstaan en hun een warme ontvangst te bereiden, vers 21, zich vleiende dat zij gemakkelijk een leger zouden kunnen verslaan, dat door de lange tocht door de woestijn van Edom vermoeid en afgemat moest wezen. Maar zie hier:
1. Hoe zij de prooi werden van hun eigen begoochelingen, en al verder en verder in hun zelfbedrog verstrikt werden.
A. Zij zagen het water in het dal, waar het leger van Israël gekampeerd was, en waanden dat het bloed was, vers 22, omdat zij wisten dat dit een dor, droog dal was, en daar er geen regen was geweest, konden zij zich niet voorstellen dat het water was. De zon scheen er op, waarschijnlijk was de lucht rood en somber, droevig rood, een voorbode van onweer op die dag, Mattheus 16:3, en zo bleek het ook voor hen. Daar nu dit water zo'n rood aanzien had heeft hun verbeelding, die hen gaarne deed geloven wat gunstig voor hen was, er bloed in gezien, terwijl God toeliet dat zij zichzelf aldus misleidden.
B. Indien hun kamp aldus vol was van bloed, dan moeten de koningen, dachten zij, twist met elkaar gehad hebben (wat onder bondgenoten, die verschillende belangen hebben, allicht gebeurt) en dan hebben zij de een de ander verslagen, vers 23 want wie anders zou hen verslagen hebben. En:
C. Indien de legers elkaar verslagen hebben, dan hebben wij niets anders te doen dan de roof te delen. Nu dan aan de buit, gij Moabieten! Dat waren de achtereenvolgende bedenkselen en redeneringen van sommige optimisten onder hen, die zich verstandiger en gelukkiger achtten in hun gissingen dan hun naasten, en de overigen, die zeer gaarne wilden dat het zo zijn zou, waren geheel bereid te geloven dat het zo was. "Quod volumus facile credimus-Wat wij wensen, geloven wij geredelijk". Zo zijn zij, die verdelgd moeten worden, eerst misleid, Openbaring 20:8, en niemand is zo ten volle misleid als zij, die zichzelf misleiden.
2. Hoe noodlottig zij hun verderf tegemoet liepen. Zorgeloos stormden zij op het kamp van Israël aan, om het te plunderen, maar geraakten uit de waan toen het te laat was. De Israëlieten, bezield met moed door de verzekering, die Elisa hun had gegeven, van te zullen overwinnen, vielen hen verwoed aan, versloegen hen, en vervolgden hen tot in hun eigen land, vers 24, dat zij verwoestten, vers 25, evenals de steden. Zij bedierven de grond, stopten de waterfonteinen, velden de bomen, en lieten slechts de koninklijke stad overeind, in welker muren zij echter met hun stormrammen grote bressen maakten. Dit hadden de Moabieten nu van hun rebelleren tegen Israël. Wie heeft ooit zijn hart tegen God verhard en is voorspoedig geweest?
Aan het einde van dit hoofdstuk wordt ons gezegd wat de koning van Moab deed, toen hij zich door de belegeraars tot het uiterste zag gebracht, en bemerkte, dat zijn hoofdstad hun waarschijnlijk in handen zou vallen.
A. Hij deed een stoute, kloekmoedige poging, hij verzamelde een keurbende van zeven honderd man, en deed een uitval op de verschansingen van de koning van Edom, die, slechts een huurling zijnde in deze strijd, naar hij hoopte, niet veel weerstand zou bieden als hij krachtig werd aangevallen, en zo zou hij dan langs die weg kunnen ontkomen. Maar het gelukte niet, zelfs de koning van Edom bleek hem te sterk, en noodzaakte hem tot de terugtocht, vers 26.
B. Dit mislukt zijnde, deed hij wat woest en wreed was, hij nam zijn zoon, zijn eigen zoon, zijn oudste zoon, die hem moest opvolgen die hem en zijn volk meer dan alles dierbaar moest zijn, en offerde hem ten brandoffer op de muur, vers 27. Hiermede bedoelde hij:
a. De gunst te verkrijgen van Kamos, zijn god, die, een duivel zijnde, zich verlustigde in bloed en moord, en de uitroeiing van het mensdom. Hoe dierbaarder hun iets was, hoe meer welbehaaglijk, dachten deze afgodendienaars, het voor hun goden moest wezen, als het hun als brandoffer geofferd werd, daarom hebben zij ook tot hun eer hun kinderen in vuur verbrand.
b. De belegeraars te verschrikken en hen tot de aftocht te dwingen. Daarom deed hij het op de muur, voor hun ogen, opdat zij zouden zien tot welke daden van wanhoop hij instaat was veeleer dan zich over te geven, hoe duur hij zijn stad en zijn leven zou verkopen. Hij bedoelde hiermede hen gehaat te maken, zijn onderdanen tegen hen te verbitteren en in woede ie ontsteken. Die uitwerking heeft het ook gehad, er werd een zeer grote toorn tegen Israël, vers 27 omdat zij hem tot dit uiterste hadden gedreven. Hierop hebben zij het beleg opgebroken, en zijn zij weergekeerd in hun land. Teerhartige edelmoedige mensen zullen niets doen-al is het ook rechtvaardig-dat anderen tot daden van waanzin of wanhoop kan brengen.