2 Koningen 11:13-16
Wij kunnen veronderstellen dat zij van plan waren om, als de plechtigheid van de inhuldiging van de koning voorbij was, een bezoek te brengen aan Athalia, om haar ter verantwoording te roepen voor de moorden, de overweldiging en de tirannie, waaraan zij zich schuldig had gemaakt, maar evenals haar moeder Izebel bespaarde zij hun die moeite, zij ging uit, hun tegemoet, en verhaastte alzo haar verderf.
1. Het gedruis horende, kwam zij verschrikt aan om te zien wat er gaande was vers 13. Jojada en zijn vrienden begonnen in stilte, maar nu zij hun kracht zagen, maakten zij bekend wat er plaatsvond. Het schijnt dat op Athalia weinig acht werd geslagen, want anders zou zij wel bericht hebben ontvangen van deze stoutmoedige aanslag, eer zij met haar eigen oren het gedruis hoorde. Indien het plan ontdekt was voordat het ten uitvoer werd gebracht, het zou vernietigd zijn kunnen worden, maar nu was het te laat. Het was vreemd dat zij, toen zij het gedruis hoorde, zo onbezonnen was om zelf te komen, en voorzover blijkt onvergezeld te komen, zij was toch zeker niet zo veronachtzaamd, dat zij niemand had, die voor haar ging zien wat er gaande was, of niemand, die haar kon vergezellen, maar zij was ellendig verdwaasd door de vervoering van vrees en toorn, die zich meester van haar had gemaakt, die God wil verderven, verdwaast Hij.
2. Ziende wat geschied was, riep zij om hulp. Zij zag de koningsplaats bij de pilaar ingenomen door iemand, aan wie de vorsten en het volk hulde deden, vers 14, en had reden om tot de gevolgtrekking te komen dat haar macht ten einde was, daar zij wist dat die macht haar niet toekwam, maar zij haar slechts door overweldiging bezat. Dit deed haar haar kleren verscheuren, als iemand die buiten zichzelve was, en uitroepen: "Verraad, verraad! Komt mij te hulp tegen de verraders!" Josefus voegt er bij, dat zij riep: Doodt hem, die de plaats van de koning inneemt. Wat nu geschiedde was de hoogste gerechtigheid, en toch wordt het gebrandmerkt als de hoogste misdaad, zij zelf was de grootste verraadster, en toch roept zij het eerst en het luidst: Verraad! verraad! Zij, die zelf de grootste schuldigen zijn, zijn gewoonlijk het heftigst in het verwijten van anderen.
3. Jojada gaf bevel om haar ter dood te brengen als afgodendienares, als overweldigster en vijandin van de openbaren vrede. Er werd zorggedragen:
a. Om haar niet in de tempel of in een van de voorhoven te doden uit eerbied voor die heilige plaats, die niet verontreinigd moest worden door het bloed van enigerlei menselijk offer, al werd het ook nog zo rechtvaardig ten offer gebracht.
b. Dat al wie voor haar zou blijken te zijn, met haar gedood zou worden. Wie haar volgt om haar te beschermen of te redden, haar dienaren, die besloten zijn haar aan te kleven en de zaak van hun rechtmatige, wettigen soeverein niet willen omhelzen, doodt met het zwaard, maar niet tenzij zij haar nu volgen," vers 15. Overeenkomstig deze bevelen hebben zij, toen Athalia naar het paleis trachtte te ontkomen door de stallen, haar vervolgd en haar daar gedood, vers 16. Alzo moeten omkomen al Uwe vijanden, o Heere! Geef aldus de bloeddorstige hoer bloed te drinken, want zij is het waardig.