2 Koningen 19:1-7
De inhoud van Rabsake's rede aan Hizkia meegedeeld zijnde, zou men verwacht hebben-en waarschijnlijk heeft Rabsake dit verwacht dat hij een krijgsraad zou beleggen, waarin gedelibereerd zou worden of het niet het beste zou zijn om maar te capituleren. Voordat de belegering plaatshad, "had hij raad gehouden met zijn vorsten en zijn helden", 2 Kronieken 32:3, maar dat baatte thans niet. Zijn grootste troost is dat hij een God heeft, tot wie hij heen kan gaan, en wij hebben hier een bericht van hetgeen er tussen hem en zijn God voorviel bij deze gelegenheid.
I. Hizkia toonde diepe smart over de oneer, die door Rabsake's Godslastering Gode was aangedaan. Toen hij het hoorde hoewel slechts uit de tweede hand, scheurde hij zijn klederen en bedekte zich met een zak, vers 1. Godvruchtige mensen plachten dit te doen, als zij hoorden van enigerlei smaad, die op Gods naam werd geworpen, en voorname mensen moeten het geen verkleining voor zich achten, om aldus hun leedwezen te betonen over de belediging van de eer van de grote God. Koninklijke klederen zijn niet te kostbaar om gescheurd, en koninklijk vlees is niet te goed om met een zak bedekt te worden in verootmoediging om de smaad, die aan God werd aangedaan, en vanwege de gevaren en verschrikkingen van Jeruzalem. Hiertoe riep God thans, en Hij was misnoegd over hen, die niet alzo gezind waren, Jesaja 22:12-24. "Zie daar is vreugde en blijdschap met runderen te doden en schapen te kelen, hoewel het een dag van beroering en van vertreding en van verwarring is in het dal des gezichts", vers 5, hetgeen op deze zelfde gebeurtenis ziet. De koning in een zak, maar velen van zijn onderdanen in zachte klederen.
II. "Hij ging in het huis des Heeren", naar het voorbeeld van de psalmist die, als hij gegriefd was over de trotsheid en de voorspoed van de goddelozen, "in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte", Psalm 73:17. Hij ging in het huis Gods om te overdenken en te bidden, en zijn geest tot kalmte te brengen na deze beroering. Hij overwoog niet welk antwoord hij aan Rabsake zou zenden, maar gaf de zaak Gode in handen: `Heere, Gij zult voor mij antwoorden'.
In het huis des Heeren vond hij een rust en schuilplaats, een schatkamer, een magazijn, een raadzaal, alles wat hij behoefde, en alles in God. Als de vijanden van de kerk zeer vermetel en zeer dreigend zijn, dan is het de wijsheid en de plicht van de vrienden van de kerk om zich tot God te wenden, om zich op Hem te beroepen, en hun zaak in Zijn handen over te geven.
III. Hij zond tot de profeet Jesaja, en wel door eerbare boodschappers, ten teken van de grote eerbied, die hij voor hem koesterde, teneinde om zijn gebeden te verzoeken, vers 2-4.
Eljakim en Sebna waren twee van hen die de woorden van Rabsake hadden gehoord en het best instaat waren om Jesaja op de hoogte van de zaak te brengen. De oudsten van de priesters moesten in een tijd van benauwdheid zelf voor het volk bidden, Joël 2:17, maar zij moeten nu om Jesaja's gebed gaan vragen omdat hij beter kon bidden en meer invloed had in de hemel. De boodschappers moesten met zakken bedekt tot hem gaan, omdat zij de koning moesten vertegenwoordigen, die nu aldus gekleed was.
Hun boodschap aan Jesaja was: "Hef een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt", dat is: voor Juda, dat slechts een overblijfsel is nu de tien stammen weg zijn, voor Jeruzalem, dat slechts een overblijfsel is nu de vaste steden van Juda genomen zijn. Het is zeer wenselijk en hetgeen wij zeer moeten begeren als wij in benauwdheid zijn dat onze vrienden voor ons zullen bidden. Door hierom te vragen eren wij God, eren wij het gebed, eren wij onze broeders.
Als wij de gebeden van anderen voor ons begeren, dan moeten wij daarom niet aflaten van voor onszelf te bidden. Toen Hizkia tot Jesaja het verzoek zond om voor hem te bidden, "ging hij zelf in het huis des Heeren, om zelf zijn gebed tot God op te zenden". Zeer bijzonder moeten wij het gebed begeren van hen, die van God tot ons spreken. Hij is "een profeet en hij zal voor u bidden", Genesis 20:7.
De grote Profeet is de grote Voorbidder. Diegenen zullen waarschijnlijk overmogen bij God, die hun gebeden opheffen, dat is: die hun hart opheffen in het gebed. Als het zeer slecht staat met de belangen van Gods kerk, als er slechts nog een overblijfsel is, haar vrienden weinig talrijk en zwak, en daarbij nog in verwarring en verlegenheid zijn, dan is het tijd om ons gebed op te heffen voor dat overblijfsel.
1. Om Jesaja tot bidden op te wekken, wordt hem met nadruk op twee dingen gewezen.
a. Op hun vrees voor de vijand, vers 3. Hij is trots en beledigend, het is een dag van de benauwdheid en van de schelding en van de lastering, wij worden gesmaad.
God wordt onteerd, nooit was zo'n koning en zo'n koninkrijk zo vertreden en verguisd als wij, "onze ziel is veel te zat des spots van de weeldigen, van de verachting van de hovaardigen", en het is als een zwaard in ons gebeente om te horen hoe zij ons betrouwen op God smaden en zeggen: Waar is nu uw God?
En wat nog het ergste van alles is: wij zien niet hoe wij het kunnen verhelpen en ons van die smaad kunnen bevrijden. Onze zaak is goed, ons volk is getrouw, maar wij worden overweldigd door hun groot aantal, de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, nu is het de tijd, het kritieke ogenblik, wanneer indien ooit, wij geholpen moeten worden, een enkele slag, die de vijand zou treffen, zou onze wensen vervullen.
Maar helaas, wij zijn niet bij machte die slag toe te brengen, daar is geen kracht om te baren. Onze toestand is allertreurigst en eist spoedige hulp, zoals een vrouw in barensnood, die geheel uitgeput is door haar weeën, zodat zij de kracht niet heeft om het kind ter wereld te brengen.
Vergelijk hiermede Hosea 13:13. Wij zijn op het punt van om te komen, "zo gij iets kunt wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons".
b. Hun hoop op God. Tot Hem zien zij op, op Hem steunen zij, en vertrouwen dat Hij voor hen zal verschijnen, een woord van Hem zal de schaal doen overhellen en het bezwijkende overblijfsel redden, als Hij slechts de woorden van Rabsake bestraft, dat is: ze weerlegt, vers 4 , als Hij het op zich neemt de Godslasteraar te overtuigen en te schande te maken, dan zal alles wèl wezen. En zij vertrouwen dat Hij dit doen zal, niet om de wille van hun verdienste, maar om de wille van Zijn eigen eer, omdat hij "de levende God gehoond heeft" door Hem op een lijn te stellen met dove en stomme afgoden. Zij hebben reden om te denken dat de uitkomst goed zal zijn, omdat zij God kunnen vragen om Zijn twistzaak te twisten, Psalm 74:22.
Sta op, o God! twist Uwe twistzaak. "Hij is de Heere uw God," zeggen zij tot Jesaja, "de uwe, wiens eer u ter harte gaat, en wiens gunst gij deelachtig zijt". Hij heeft de lasterlijke woorden van Rabsake gehoord, en daarom misschien zal Hij ze horen en bestraffen. Wij hopen het.
Help ons met uw gebeden om de zaak voor Hem te brengen, en dan zullen wij haar gerust aan Hem overlaten.
IV. God zond door Jesaja een boodschap aan Hizkia, om hem de verzekering te geven dat Hij zich zal verheerlijken in het verderf van de Assyriërs. Hizkia zond tot Jesaja, niet om te vragen naar hetgeen gebeuren zal, met welke boodschap velen tot de profeten hebben gezonden (zal ik van deze ziekte genezen? en dergelijke dingen meer), maar om zijn hulp te vragen bij het volbrengen van zijn plicht.
Dat was zijn zorg en zijn begeerte, en daarom liet God hem weten wat de uitkomst zijn zal ter beloning van zijn zorg om zijn plicht te doen, vers 6, 7.
1. God acht dat de zaak Hem aangaat. Zij hebben Mij gelasterd.
2. Hij bemoedigt Hizkia, die zeer verschrikt is: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, het zijn slechts woorden, hoewel trotse vurige woorden, en woorden zijn slechts wind.
3. Hij beloofde de koning van Assyrië erger te verschrikken dan Rabsake hem verschrikt heeft, Ik zal een wind over hem geven, vers 7,, een verwoestende ademtocht, die zijn leger zal vernietigen, waarop hij door schrik en angst bevangen en naar zijn land gedreven wordt, waar de dood hem zal ontmoeten. Deze korte bedreiging uit de mond van God zal werking doen, als al de machteloze dreigementen uit Rabsake's mond in damp zullen opgaan.