2 Koningen 17:7-23
De ondergang van het rijk van Israël werd slechts kort verhaald, maar in deze verzen wordt hij door de gewijde geschiedschrijver uitvoerig besproken en verklaard, de redenen er van aangeduid, die niet ontleend zijn aan ondergeschikte oorzaken, zoals de zwakheid van Israël, hun onstaatkundig beleid, en de kracht en toenemende grootheid van de Assyrische monarch, dit alles wordt voorbijgezien, en alleen de eerste oorzaak opgegeven.
1. Het was de Heere, die Israël wegdeed van Zijn aangezicht. Wie er ook de werktuigen van waren, Hij was de werker van deze ramp, het was een verwoesting van de Almachtige, de Assyriër was slechts de roede van Zijn toorn, Jesaja 10:5. Het was de Heere, die het zaad Israëls verwierp, want anders zouden hun vijanden de overhand niet over hen gehad hebben vers 20. Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël de rovers? Is het niet de Heere? Jesaja 42:24. Wij verliezen het voordeel van de nationale oordelen, als wij er de hand Gods niet in zien en de vervulling van de Schrift, want ook daarvan wordt hier nota genomen, vers 23. De Heere deed Israël weg van Zijn aangezicht, van Zijn gunst en uit hun land, gelijk als Hij gesproken had door de dienst van al Zijn knechten de profeten. Hemel en aarde zullen eerder voorbijgaan dan dat een tittel van Gods woord ter aarde zal vallen. Als Gods woord en Zijn werken met elkaar vergeleken worden, dan zal men bevinden dat zij niet slechts overeenkomen, maar dat zij elkaar verklaren en ophelderen. Maar waarom heeft God een volk willen verderven, dat verwekt en tot een maatschappij was geworden door een wonder, zoals dit toch met Israël geweest is? Waarom heeft Hij, hetgeen Hijzelf ten koste van zo heel veel gedaan heeft, weer ongedaan willen maken? Was dit zuiver en alleen een daad van vrijmacht? Neen, het was een daad van noodzakelijke gerechtigheid. Want:
2. Zij hebben Hem hiertoe verwekt door hun goddeloosheid. Was het Gods doen? Neen, het was hun eigen doen, hun weg en hun handelingen hebben hun deze dingen gedaan, en het was hun eigen boosheid, die hen strafte. Dit wordt hier door de gewijde schrijver uitvoerig aangetoond, opdat het zou blijken dat God hun geen onrecht heeft gedaan, en opdat anderen het zullen horen en vrezen. Komt en ziet wat het was, dat al dit kwaad heeft teweeggebracht, hun macht heeft verbroken, hun eer in het stof heeft gelegd: het was zonde, en niets anders, die scheiding heeft gemaakt tussen hen en God. Dit wordt hier treffend als de oorzaak aangetoond van de verwoestingen Israëls. Hij wijst hier:
I. Op hetgeen God voor Israël gedaan heeft om hen te verbinden aan Zijn dienst.
1. Hij gaf hun hun vrijheid, vers 7. Hij bracht hen uit Egypteland van onder de hand van Farao, die hen verdrukte, verklaarde dat zij een vrij volk waren-Israël is Mijn zoon-en bewerkte hun vrijheid met een hoge hand. Aldus waren zij uit plicht en dankbaarheid gehouden en verplicht om Zijn dienstknechten te zijn, want Hij had hun banden losgemaakt, en Hij, die hen uit de hand van de koning van Egypte had gered, zou ook niet zo in tegenspraak met zichzelf gehandeld hebben om hen in de hand van de koning van Assyrië over te leveren, als Hij gedaan heeft, indien zij niet door hun ongerechtigheid hun vrijheid hadden verraden en zichzelf hadden verkocht.
2. Hij heeft hun Zijn wet gegeven, en was zelf hun koning, zij waren onder een onmiddellijke Godsregering, zij konden niet pleiten op onwetendheid omtrent goed en kwaad, zonde en plicht, want God had hen zeer bijzonder gewaarschuwd tegen de dingen, die Hij hun hier ten laste legt, vers 15 :Dat zij niet zouden doen gelijk de heidenen, vers 15. Zij konden ook volstrekt niet in twijfel zijn omtrent hun verplichting om deze last in acht te nemen, want het waren de geboden en inzettingen van de Heere, hun God, vers 15, zodat zij de plicht niet konden betwisten om ze te houden. Alzo heeft Hij geen ander volk gedaan, Psalm 147:19, 20.
3. Hij gaf hun hun land, want Hij heeft de heidenen voor hun aangezicht verdreven, vers 8, om voor hen plaats te maken, en dat Hij hen uitwierp om hun afgoderijen was een duidelijke en krachtige waarschuwing aan Israël om niet te doen zoals zij.
II. Wat zij tegen God gedaan hebben in weerwil van de verplichtingen, die Hij hun had opgelegd.
1. In het algemeen. Zij zondigden tegen de Heere, hun God vers 7, zij hadden de zaken die niet recht zijn, tegen de Heere, hun God, bemanteld, dat is: zij deden ze in het geheim zo verknocht waren zij aan hun boze praktijken, dat zij, als zij ze niet in het openbaar konden doen uit schaamtegevoel, of uit vrees ze in het geheim deden, wel een bewijs van hun atheïsme, daar zij dachten dat hetgeen in het verborgen geschiedde door het oog van God niet gezien werd, zodat zij er dan ook niet ter verantwoording om geroepen zouden worden. En wederom, zij deden slechte dingen in lijnrechte tegenspraak met de wet van God, zodat het scheen alsof zij het met voorbedachte rade deden om de Heere tot toorn te verwekken, vers 11, in minachting van Zijn gezag en in trotsering van Zijn gerechtigheid. Zij verwierpen Zijn inzettingen en Zijn verbond, vers 15 wilden zich noch gebonden achten door Zijn gebod, noch door hun eigen instemming met het verbond, maar verwierpen de verplichting van beide, en daarom heeft God rechtvaardig hen verworpen, vers 20. Zie Hosea 4:6. Zij verlieten alle geboden van de Heere, hun God, vers 16, verlieten de weg, verlieten het werk, die deze geboden hun voorschreven, ja eindelijk: zij verkochten zich te doen dat kwaad was in de ogen van de Heere, dat is: zij gaven zich geheel en al over aan de zonde, zoals slaven aan de dienst van hen, aan wie zij verkocht zijn, en door hun hardnekkig blijven in de zonde verhardden zij hun hart dermate, dat het zedelijk onmogelijk voor hen was om weer op de rechte weg te komen zoals iemand die onherroepelijk zijn vrijheid verkocht heeft.
2. In het bijzonder. Hoewel zij ongetwijfeld aan velerlei onzedelijkheid schuldig waren en al de geboden van de tweede tafel hadden overtreden, wordt hier toch niets dan hun afgoderij genoemd, die was van alles het meest Godtergend, het was het geestelijk overspel, dat het huwelijksverbond verbrak, en dat de deur opende voor alle andere goddeloosheid, dat wordt hier telkens en nogmaals aangeduid als de zonde, die het verderf over hen bracht.
a. Zij vreesden andere goden, vers 7, dat is: aanbaden die, en bewezen hun hulde, alsof zij hun misnoegen vreesden.
b. Zij wandelden in de inzettingen van de heidenen, die strijdig waren met Gods inzettingen, vers 8, zij deden zoals de heidenen, vers 11, zij wandelden achter de heidenen, die rondom hen waren, vers 15, gaven dus de eer veil van hun karakter als een bijzonder volk, en gingen in tegen Gods bedoeling met hen, welke was dat zij onderscheiden zouden zijn van de heidenen. Moesten zij, die van God geleerd waren, ter school gaan bij de heidenen? Moesten zij, die Gode afgezonderd waren, zich regelen naar de volken die door Hem waren verlaten? c. Zij wandelden in de inzettingen van de afgodische koningen van Israël, vers 8, in alle zonden van Jerobeam vers 22. Als hun koningen zich de macht aanmatigden om de inzettingen Gods te veranderen, of er iets aan toe te voegen, dan onderwierpen zij zich aan hen, en dachten dat het gebod van hun koningen hun vrijspraak zou zijn, hen zou rechtvaardigen in hun ongehoorzaamheid aan het gebod van God.
d. Zij hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, vers 9, al was het maar een toren voor de wachter, een landstad, die geen muren maar slechts een toren had om de wacht te beschutten in tijden van gevaar, of slechts een hut voor schaapherders, dan moest zij nog geëerd worden met een hoogte, en die dan met een altaar, was het een bemuurde stad, dan moest zij nog verder versterkt worden met een hoogte, Gods heiligdom hebbende verlaten, maakten zij zich overal hoogten, die zij als heiligdommen beschouwden, en waarin ieder deed naar zijn -luim of inval, en zijn gebeden richtte tot de god, die hem behaagde. Hiermede werden heilige dingen ontheiligd en gemeen gemaakt, toen hun altaren als steenhopen waren op de voren van de velden, Hosea 12:12.
e. Zij hadden zich staande beelden opgericht "`asherim", zoals sommigen denken, dat dit woord overgezet moet worden, dat wij vertalen door bossen, of astaroth, volgens anderen, vers 10 in strijd met het tweede gebod. Zij hadden drekgoden gediend, vers 12, het werk hunner eigen handen, de schepselen hunner verbeelding, hoewel God hun zeer bijzonder gezegd heeft dat zij deze zaak niet moesten doen.
f. Zij hadden gerookt, dat is reukwerk geofferd op alle hoogten ter ere van vreemde goden, want voor de ware God was dit een oneer, vers 11.
g. Zij wandelden de ijdelheid na, zo worden de afgoden genoemd, omdat zij goed noch kwaad konden doen, maar de onbeduidendste dingen waren, die men zich denken kan, zij, die hen aanbaden, waren hun gelijk, en zo werden zij ijdel en nergens van nut, vers 16, ijdel in hun godsdienstige verrichtingen, die dom en bespottelijk waren, en zo werden zij ijdel in geheel hun wandel.
h. Behalve de gegoten beelden, namelijk de twee kalveren, aanbaden zij nog al het heir des hemels, de zon de maan en de sterren, want het is niet bedoeld van het hemelse heir van de engelen, zij konden zich niet zover verheffen boven de zichtbare dingen, om aan deze te denken, en daarbij dienden zij ook nog Baäl, de vergoddelijkte helden van de heidenen, vers 16.
i. Zij deden hun zonen en hun dochters door het vuur gaan, ten teken dat zij ze aan hun afgoden gewijd hadden, en eindelijk: zij gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeluiden acht om leiding en bestuur te ontvangen van de goden, die zij dienden en vereerden.
III. Welke middelen door God werden aangewend om hen af te brengen van hun afgoderijen, en met hoe weinig goed gevolg. Hij betuigde tegen hen, toonde hun hun zonden, waarschuwde hen voor de noodlottige gevolgen er van door alle profeten, en al de zieners, (zo werden de profeten vroeger genoemd) en had hen gedrongen, om zich te bekeren van hun boze wegen, vers 13. Wij hebben min of meer van profeten gelezen onder alle regeringen. Hoewel zij Gods priestergeslacht hadden verlaten, heeft Hij hen niet zonder een opvolging van profeten gelaten, die zich ten taak stelden om hen de goede kennis des Heeren te leren maar alles tevergeefs, vers 14, zij wilden niet horen, maar verhardden hun nek, volhardden in hun afgoderijen, en waren gelijk hun vaderen die hun nek niet wilden buigen onder Gods juk, omdat zij in Hem niet geloofden, Zijn waarheden niet aannamen, op Zijn beloften niet durfden vertrouwen. Het schijnt te verwijzen naar hun vaderen in de woestijn, dezelfde zonde, die hen buiten Kanaän hield, heeft deze er uit verdreven, en die zonde was ongeloof.
IV. Hoe God hen voor hun zonde heeft gestraft. Hij vertoornde zich zeer over Israël, vers 18, want in zake Zijn aanbidding is Hij een ijverig God, en door niets acht Hij zich meer beledigd dan hierdoor, dat de eer, die Hem alleen toekomt, aan enigerlei schepsel gegeven wordt. Hij verdrukte hen, vers 20, en gaf hen in de hand van de rovers in de dagen van de richteren en van Saul, en daarna in de dagen van de meeste van hun koningen, om te zien of zij door de oordelen Gods ook opgewekt zouden worden om na te denken en hun wegen te verbeteren. Maar toen al deze tuchtigingen niet hebben gebaat om de dwaasheid van hen uit te drijven, heeft God eerst Israël afgescheurd van het huis van David, onder hetwelk zij gelukkig hadden kunnen wezen. Gelijk Juda hierdoor verzwakt werd, zo werd Israël er door verdorven, want zij maakten een man koning, die hen wegdreef van achter de Heere en hen een grote zonde deed zondigen, vers 21. Dit was een nationaal oordeel, en de straf voor hun vroegere afgoderijen, en, ten slotte, deed Hij hen weg van Zijn aangezicht, vers 18, 23, zonder hun hoop te geven om hen uit hun gevangenschap weer te brengen.
Eindelijk. Hier is temidden van dat alles een klacht tegen Juda, vers 19. Zelfs hield Juda de geboden van de Heere, hun God, niet, hoewel zij nog niet geheel en al zo slecht en verdorven waren als Israël, wandelden zij toch in de inzettingen van Israël, en dit verzwaarde de zonde van Israël, dat zij er Juda mee besmet hebben, zie Ezechiël 23:1-1. Zij, die zonde brengen in een land of in een gezin, brengen er een pest in, en zullen het kwaad. dat er uit volgt, hebben te verantwoorden.