2 Koningen 16:10-16
Hoewel Achaz zelf op hoogten geofferd had, op heuvels en onder alle groen geboomte vers 4, was Gods altaar totnutoe toch op zijn plaats blijven staan, en in gebruik gebleven, des konings brandoffer en zijn spijsoffer, vers 15, waren er op geofferd geworden door de priester, die er aan diende, maar hier zien wij het door de goddeloze Achaz weggenomen, en een ander, een afgodisch altaar, in de plaats ervan gesteld, een vermeteler aanslag tegen de Godsdienst dan nog ooit door de slechtste koningen gewaagd werd.
I. Het model van dit nieuwe altaar werd door de koning zelf naar één, dat te Damascus was, genomen, vers 10. De koning van Assyrië had Damascus ingenomen, en Achaz ging er heen om hem geluk te wensen met zijn succes en hem zijn dank te betuigen voor de vriendelijkheid, die hij hem met deze veldtocht had bewezen, en om, als zijn knecht en zijn zoon, zijn bevelen te ontvangen. Als hij getrouw was geweest aan zijn God, hij zou het niet nodig gehad hebben om aldus te kruipen voor een buitenlandse mogendheid. Toen hij te Damascus was en misschien de merkwaardigheden van de stad bezichtigde of liever zich met hen verenigde in hun afgodsdienst-want terwijl hij daar was, vond hij er geen kwaad in, om te doen zoals zij deden-zag hij een altaar, dat hem uitermate behaagde, niet zo'n eenvoudig, ouderwets altaar als dat, hetwelk hij door opvoeding en gewoonte te Jeruzalem bezocht, maar dat met kunstig snijwerk en beelden was versierd. Er waren vele dingen aan, die, naar hij dacht, vol van betekenis waren, hij vond ze verwonderlijk, bekoorlijk, zeer geschikt om de Godsdienstzin op te wekken. Salomo had, in vergelijking met deze geniale kunstenaar, slechts een zeer bekrompen begrip van kunst, dacht hij. Juist zo'n altaar moet hij ook hebben, met niets minder kan hij tevreden wezen. Terstond moet het model er van genomen worden, en hij kan niet wachten tot hijzelf naar Jeruzalem terugkeert, maar in allerijl zendt hij het model aan Uria de priester, met bevel om er streng nauwkeurig een altaar naar te maken, en het tegen zijn terugkomst gereed te hebben. Het voorbeeld, door God aan Mozes getoond op de berg of aan David door de Geest, was niet te vergelijken met dit voorbeeld van Damascus gezonden. Het hart van afgodendienaars wandelt hun ogen na, om welke reden het gezegd wordt hun afgoden na te hoereren, maar de ware aanbidders aanbidden de waren God door het geloof.
II. Het maken er van door Uria, de priester vers 11. Deze Uria was waarschijnlijk de hogepriester, die toen de tempeldienst bestuurde. Aan hem gaf Achaz zijn begeerte te kennen (want wij lezen niet dat hij hem uitdrukkelijke orders gezonden heeft) om naar dit model een altaar te doen maken. En zonder het minste bezwaar te maken begeeft hij zich terstond aan het werk, daar hij er misschien even verzot op was als de koning, of tenminste volkomen bereid was om de koning te behagen, en daardoor zijn gunst te winnen. Misschien zou hij voor zijn toegeven aan de koning hierin, de verontschuldiging kunnen aanvoeren, dat het een middel was, waardoor hij hem aan de tempel te Jeruzalem kon houden, om aldus zijn algehele verlaten er van voor de hoogten en de bossen te voorkomen. "Laat ons hem hierin ter wille zijn," denkt Uria, "dan zal hij al zijn offeranden tot ons brengen, want uit dit gewin hebben wij onze welvaart." Maar welk voorwendsel hij nu ook tot zijn dienst had, het was uiterst laag en slecht van hem om dit altaar te maken uit inschikkelijkheid voor een afgodische vorst, hij die een priester, een hogepriester was! Want hiermede:
1. Gaf hij zijn gezag veil, en ontwijdde hij de kroon van zijn priesterschap door zich de dienaar te maken van de lusten van de mensen. Er is geen groter schande voor de bedienaren van de Godsdienst dan slaafse onderworpenheid aan zulke goddeloze bevelen als deze. 2. Was hij ontrouw aan zijn roeping. Als priester was hij gebonden en verplicht om Gods inzettingen te handhaven en te verdedigen, en tegen alle nieuwigheden te getuigen en ze tegen te staan. En dat hij de koning hielp om een altaar op te richten tegenover het altaar, waaraan hij, naar Goddelijk bestel daartoe geheiligd zijnde, dienen meest, was zo'n daad van trouweloosheid en verraad, als waardoor hij terecht als een eerloze gebrandmerkt is voor het nageslacht. Indien hij het maken van dit altaar slechts oogluikend had toegelaten, indien hij door dreigementen er toe gedreven was, indien hij gepoogd had het de koning te ontraden of slechts het maken er van had uitgesteld tot aan de terugkomst van de koning, teneinde er eerst met hem over te spreken, het zou zo slecht niet geweest zijn, maar om zo gewillig zijn gebod op te volgen, alsof hij blij was met de gelegenheid om hem te verplichten dat was zo'n belediging van de God, die hij diende, dat er volstrekt geen verontschuldiging voor te vinden is.
III. De inwijding er van. Bemerkende dat de koning er zijn hart op gezet had, droeg Uria zorg om het gereed te hebben tegen dat hij terugkwam, en plaatste het bij het koperen altaar, meer iets verder van de deur van de tempel. De koning was er zeer mee ingenomen, naderde er toe met allen mogelijke eerbied, en offerde er zijn brandoffer enz. op, vers 12, 13. Zijn offeranden werden niet aan de God Israëls gebracht, maar aan de goden van Damascus zoals wij lezen in 2 Kronieken 28:23, en toen hij het altaar van de Syriërs overnam, is het niet te verwonderen dat hij ook hun goden overnam. Naäman, de Syriër, nam de God Israëls aan toen hij aarde van het land Israëls verkreeg om er een altaar van te maken.
IV. De wegneming van Gods altaar om er plaats voor te maken. Uria was zo bescheiden, dat hij dit altaar aan het lagere einde van het voorhof had gesteld en Gods altaar aan zijn plaats had gelaten, tussen dit en het huis des Heeren, vers 14. Maar Achaz was hiermede niet tevreden, hij verplaatste Gods altaar naar een afgelegen hoek aan de noordzijde van de voorhof, en zette zijn eigen altaar in de plaats ervan. Hij denkt dat zijn nieuwe altaar veel statiger is en veel fraaier, laat daarom dat oude altaar terzijde gesteld worden als een vat waaraan men geen lust heeft. Zijn bijgelovig verzinsel heeft eerst tegen Gods heilige inzetting gestoten, maar die ten laatste uitgestoten. Diegenen zullen er spoedig toe komen om van God niets te maken, die er niet mee tevreden zijn om hun alles van Hem te maken. Achaz heeft-misschien wel uit vrees voor het volk-het koperen altaar niet geheel durven vernielen, maar hij gebood dat al de offeranden op zijn nieuwe altaar geofferd moesten worden, vers 15. Het koperen altaar, zegt hij, zal mij zijn om te onderzoeken. Het uitgeworpen hebbende om het gebruik waartoe het was ingesteld, namelijk om de gaven te heiligen, die er op geofferd werden, geeft hij voor het te willen verheffen boven zijn inzetting, en dat is iets dat bijgelovige lieden gewoonlijk doen. Het altaar was nooit bestemd om een orakel te zijn, maar Achaz wil het daarvoor gebruiken. Schijnbaar verheft en verheerlijkt de Roomse kerk de sacramenten van Christus, maar verderft ze erbarmelijk. Maar sommigen geven een andere zin aan Achaz' voornemen. "Wat betreft het koperen altaar, ik zal overwegen wat daarmee gedaan moet worden, en er orders voor geven." De Joden zeggen dat hij later van het koper er van de vermaarde zonnewijzer heeft gemaakt, die Achaz' zonnewijzer wordt genoemd, Hoofdstuk 20:11. Van de lage inschikkelijkheid van de ellendige, lafhartige priester voor de hoogmoedige aanmatiging en overweldiging van een slechte koning wordt nogmaals nota genomen, vers i6. Uria, de priester, deed naar alles, wat de koning Achaz geboden had. Ellendig staat het met de groten van de aarde, als zij die hen moesten bestraffen voor hun zonden hen er in versterken en dienen.