36. Het overige nu van de geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken van de koningen van Juda? (
1 Koningen 14:19)
In 1 Kronieken 5:17 wordt op een door Jotham voorgenomen telling van de aan de overzijde van de Jordaan gevestigde stam Gad gedoeld, terwijl 50-60 jaar eerder een dergelijke telling onder Jerobeam II van Israël was ontworpen, die later daar wordt vermeld, omdat bij de aanduiding van de beide koningen aan Jotham als koning van Juda de voorrang toekwam; daaruit blijkt, dat in dezelfde mate als het noordelijk rijk van zijn onder Jerobeam II bereikte hoogte, na diens regering afdaalde, zich weer de heerschappij van Juda uitbreidde over het Oost-Jordaanland, dat na Salomo's dood zich eveneens aan de heerschappij van het huis van David onttrokken, en onder de innerlijke onlusten en buitenlandse oorlogen, die het noordelijk rijk verzwakten, zeer veel te lijden had..
Verder is uit Jothams regering op te merken, dat in het derde deel daarvan de bouw van de stad Rome (in het jaar 754 volgens Varro, volgens anderen 753 v. Chr.) heeft plaatsgehad, hetgeen niet zonder betekenis is..
De tijd van de zondeval tot aan de zondvloed was door God verordend, om de mens te tonen wat hij aan de zonde heeft, tot welke diepte zijn verdorvenheid reikt, en welke vrucht de afval voor hem draagt. Heeft nu de mens gedurende de eerste tijdruimte van de wereldgeschiedenis (van 4005-2349 v. Chr.) op krachtige wijze de noodzakelijkheid van verlossing leren kennen, zo bereidt de Here het menselijk geslacht tot gewillige aanneming van het alleen ware heil voor, door hun in lange en smartelijke ervaringen duidelijk te doen inzien, hoe zij zelf door eigen kracht de zo hoog nodige verlossing zich niet verschaffen kunnen. In heel de grote tijdruimte tussen de zondvloed en Christus wordt elk gebied onderzocht, worden alle mogelijke wegen naar alle mogelijke richtingen ingeslagen. Naar de drie hoofddelen van het menselijk zijn en leven, lichaam, ziel en geest, wordt die tijdruimte (van 2349-1 v. Chr.) verdeeld in drie grote perioden. De eerste, van de zondvloed tot aan de Babylonische spraakverwarring (2349-2218 v. Chr.); de zin van de mens is gedurende die tijd in de massa verdiept, op de stof, het ruw zinnelijke gericht; door middelen, uit dit gebied ontleent, tracht hij zich te helpen en genezing te verschaffen. Tweede periode, van de Babylonische spraakverwarring tot op de wereldmonarchieën, juist tot aan het optreden van de tweede Assyrische monarchie (2 Koningen 15:29); het principe (het leidend beginsel) van de beweging is thans verplaatst in de ziel, in het lagere in het meer negatieve gebied van het verstandelijke leven; van nu af wordt hulp en genezing gezocht in zulke middelen als dit gebied verschaft. Daarom, zoals eenheid, de eenheid van de massa, de vroegere tijd beheerst had, zo wordt het nu op afscheiding toegelegd; de tijd van de particularismen, van de verschillende nationaliteiten, van de bijzondere nationale en lokale godsvereringen, van de uit de plaatselijke en gegevene zich ontwikkelende mythologie en symboliek (godenleer en tekentaal). Maar met betrekking tot dit gebied, moest het menselijke bewustzijn ontwaren, dat het de schat niet doet vinden, waarnaar het hart verlangend uitziet, om zijn honger en dorst te stillen, en zijn armoede weg te nemen. Spoedig vond het daarin dan ook geen bevrediging meer, het ging verder en wendde zich overeenkomstig zijn natuur, naar het algemene. Van nu aan een streven naar universalisme (algemeenschap) en reactie (tegenwerking) tegen het bestaande. De vormen, waarin de menselijke geest zich tot dusver bewogen had, en de voortbrengselen van deze beweging werden vernietigd; in de plaats van het oude kwam iets nieuws als vrucht van de nieuwe beweging; het algemene (universele) op staatkundig en verstandig gebied. Dit is de tijd van de wereldmonarchieën (Daniël 2:1vv. 7:1vv. van de wezenlijk universele kunst en wetenschap van de Grieken. Maar bij dit alles had de Heere, terwijl Hij het toeliet, Zich ook een doel van deze wegen voorbehouden; maar het doel van de Heere stond juist tegenover dat van de mensen: het was namelijk de beschaming van alle mensen, de verhoging van God alleen. Wel had Hij, juist tot dit doel, de mens aan zichzelf overgelaten, maar Hij wilde Zich aan hem niet onbetuigd laten; alle opvoeding toch heeft een dubbele zijde: een negatief en een positief moment. Nu behoorde het ook tot Zijn opvoedingswijsheid, dat Hij deze getuigenis een met de tijd en haar richting overeengekomen gestalte deed aannemen. Had dus in de tijd voor de zondvloed de getuigenis van Zijn gerichten zowel als Zijn genade de eenvoudige vorm van een aan allen meegedeelde traditie (overlevering) verkregen, zo vertrouwde Hij het van toen af toe aan een bijzonder volk, en wel in een vorm, die alleen overeenkwam met de toenmalige tijd, doordat Hij aan het volk van Zijn eigendom de waarheid onder een deksel en in beelden, als symbool (zinnebeeld) en type (voorbeeld) openbaarde. Maar deze vorm was, hoewel hij het eeuwige in zich besloot, toch zelf niet eeuwig, niet overeenkomende met de gestalte, waarin het eeuwige verschijnt, en het kon dus Gods doel niet zijn, dat die vorm zou blijven. Dus, wanneer de waarheid en het wezen in Christus zelf eenmaal geopenbaard zou zijn, dan zou in de plaats van het afbeeldsel en het voorbeeld het oorspronkelijke beeld zelf in geest en in waarheid ervoor in de plaats treden. Zo moest in ieder geval ook het volk van het eigendom te zijner tijd een verandering in zijn toestand en in zijn betrekking ondergaan, een verandering, die, was zij ook juist niet noodzakelijk eraan gelijk, dan toch overeen zou komen met de verandering, die met al de andere volken eenmaal kon em moest plaatshebben. Zoals in het derde tijdvak overal, ten minste bij alle volken, die geroepen waren om in de ontwikkelingsgang van de wereldgeschiedenis in te grijpen, het universalisme in de plaats van het tot dusver geheerst hebbende Particularisme trad, zo moest een dergelijke verandering ook bij het volk Israël voorkomen. Israël als wereldgemeente, Israël als wereldprofeet, Israël niet meer beperkt binnen de enge grenzen van het land Kanaän, maar uitgaande over de gehele aarde, zendingswerk drijvende onder alle volkeren, overal predikende van het zaad van Abraham, waarin al de geslachten van de aarde gezegend moesten worden, allerwegen koloniën en nederzettingen stichtende, bereid om de drager van een algemene wereldbeweging op geestelijk gebied te worden, en zo het grote, wijde rijk te banen en voor te bereiden van Hem, die de alleen gerechtigde Universeelmonarch zou kunnen zijn: dat moest in ieder geval Israël's roeping in deze derde periode worden. Maar de geschiedenis van Israël, zoals zij zich in werkelijkheid heeft ontwikkeld, laat zich uit deze factor alleen nog niet verklaren: er moet nog een tweede bijkomen. Bij dit alles waren twee zaken mogelijk. Israël kon tot deze overgang komen, bij wijze van een gelukkige metamorfose of herschepping; maar ook bij wijze van een oordeel. Zo kon de oorspronkelijke mens uit zijn volkomen toestand in het Paradijs tot de hogere, die hem van begin af aan was toegedacht, komen in de weg van voortdurende ontwikkeling. Maar sinds die eerste val is vallen van de kunst van de mens; is doorgang door de dood voor de mens voorwaarde om tot hoger leven te komen. Dat zien wij ook bij Israël: het moet sterven; niet als metamorfose, maar onder smart en pijn, met gewelddadige vernietiging van de oude vorm vond de overgang plaats; in plaats van een herschepping en verheerlijking moest een dag van het gericht komen, het oordeel van de verwerping. Israël had zijn land kunnen behouden; het had heer en meester kunnen blijven in dit zijn land; verheerlijkt en geprezen vanwege zo'n handhaving van zijn zelfstandigheid te midden van de wereldhistorische stormen had het, van zijn erfland uitgaande, door bezwijkende rijken en wereldmachten, heen kunnen trekken om als zendeling werkzaam te wezen, om met het van God gegeven Woord en de door God verleende wonderdaad van het geloof overal in de landen te zegevieren als Koning-Profeet. Zo bestraffend en oordelend, had het de volkeren van de aarde om zich heen kunnen zien scharen, als het ware middelpunt van de aarde, het bedehuis van alle volkeren reeds toen erkend. Maar Israël kon ook Kanaän verliezen, en als verdrevende gestaltenis en verstrooide de aarde vervullen; zij konden ook in de gestaltenis van knechten getuigen zijn. Israël koos het laatste; ook in die toestand was het als getuige werkzaam. Mozes had Deuteronomium 28:47vv. reeds op die dienstbaarheid gewezen.
In Jothams tijd valt het begin van de werkzaamheid van de profeet Micha, en deze werkzaamheid strekt zich evenals die van Jesaja (zie bij Vers 9) uit tot in de tijden van Hizkia; ja het lijdt geen twijfel, dat vele uitspraken van Micha later door Jesaja overgenomen, bevestigd en verder ontwikkeld zijn, hetgeen voornamelijk geldt van Micha 4:1-5 Jesaja 2:2-5 terwijl Jesaja bij deze rede van de weg van het gericht, waarop de Heere zijn Sion van de valse tot de ware heerlijkheid zal roeren, Micha's woord juist tot zijn overgangspunt neemt en het niet zozeer met eigen woorden weergeeft (reproduceert), maar het veeleer als uitspraak van een ander aanhaalt (citeert)..
Opdat het profetisch woord des te zekerder en geloofwaardiger zou zijn, wilde God, dat Jesaja en Micha in dezelfde tijd en als met een mond spraken; en niets kon aan ieder van beide profeten welkomer zijn, dan dat hij aan zijn ambtsbroeder en aan diens verklaringen, niet slechts in de betekenis, maar ook in de woorden met de zijnen overeenkomende, een getuige van zijn Goddelijke roeping had.