2 Koningen 14:1-7
Amazia is de koning, van wie wij hier een bericht hebben, hij was de zoon en opvolger van Joas. Laat ons hem beschouwen:
1. In de tempel, daar heeft hij, tot op zekere hoogte, wèl gehandeld, zoals Joas, maar niet zoals David, vers 3, Hij begon goed, maar heeft niet volhard, Hij deed dat recht was in de ogen des Heeren, bezocht Gods altaren, gaf acht op Gods Woord, maar niet zoals zijn vader David. Het is niet genoeg om te doen wat onze vrome voorgangers gedaan hebben, enkel en alleen om de gewoonte aan te houden wij moeten het doen zoals zij het gedaan hebben, uit hetzelfde beginsel van geloof en Godsvrucht, en met dezelfde oprechtheid en trouw. Er wordt hier, evenals tevoren, nota van genomen, dat de hoogten niet werden weggenomen, vers 4. Het is moeilijk zich te ontdoen van die verdorvenheden, welke door langdurig gebruik als het ware recht van bestaan hebben verkregen.
2. Op de stoel van het gericht, en daar zien wij hem gerechtigheid oefenen aan de verraders en moordenaars van zijn vader, niet terstond nadat hij de troon had bestegen, want dan zou er allicht beroering door ontstaan zijn, hij heeft dit voorzichtig uitgesteld totdat het koninkrijk in zijn hand versterkt was, vers 5. Een oproerige partij trapsgewijze te verzwakken, als het niet veilig is haar te prikkelen of te verbitteren, blijkt dikwijls het beste middel om haar macht voor goed te vernietigen. Door langzaam te werk te gaan zal de gerechtigheid met zekerheid te werk gaan, en dikwijls handelt zij het wijst als zij niet terstond handelt. Hier is de wijsheid nuttig tot bestuur en leiding. Amazia deed dit:
a. Overeenkomstig de aloude wet dat: "Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden." Laat de verraders en moordenaars niet verwachten dat zij als andere mensen naar hun graf zullen gaan, laat hen "naar de kuil toevlieden en laat niemand hen vasthouden" Spreuken 28:17.
b. Onder de beperking van de wet. De kinderen van de doodslagers doodde hij niet omdat de wet van Mozes uitdrukkelijk bepaald had dat de kinderen niet voor de vaders gedood zullen worden, vers 6. Waarschijnlijk is hier nota van genomen, omdat hij personen in zijn omgeving had, die hem deze strengheid aanrieden, zowel in wraakoefening, omdat koningsmoord een buitengewone misdaad was als in staatkundig beleid, omdat de kinderen tegen hem konden samenspannen om de dood van hun vaderen te wreken. Maar tegenover die meningen stelde hij de uitdrukkelijke wet van God, Deuteronomium 24:16, waarnaar hij recht had te spreken, en waaraan hij besloten had zich te houden en op God te vertrouwen voor wat er de gevolgen van zijn konden. God bezoekt de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen omdat ieder mens schuldig is voor Zijn aangezicht en tegenover Hem des doods schuldig is, zodat Hij geen onrecht doet wanneer Hij om de zonde van de vader een leven van hen eist, dat toch reeds verbeurd was. Maar aan aardse vorsten laat Hij niet toe dit te doen, voor hen zijn de kinderen onschuldig, en moeten dus niet lijden alsof zij schuldig waren.
3. Op het slagveld, en daar zien wij hem triomferen over de Edomieten, vers 7. De Edomieten vielen van onder het gebied van Juda af in de tijd van Joram, Hoofdstuk 8:22, nu voert hij oorlog tegen hen, om hen weer te onderwerpen, doodt tien duizend van hen, en neemt de hoofdstad in van Steenachtig Arabië, genaamd Sela, een rots, en gaf er een nieuwe naam aan. Een uitvoeriger bericht van deze krijgstocht vinden wij in 2 Kronieken 25:5 en verv.