2 Koningen 11:17-21
Jojada heeft nu het moeilijkste deel van zijn werk ten einde gebracht, door de dood van Athalia was de weg tot de troon voor zijn jonge vorst geëffend, nu moet hij zijn voordeel gebruiken om de omwenteling te voltooien en de regering te bevestigen.
Wij hebben hier een bericht van twee dingen.
I. Van het goede fundament, dat hij legde door een oorspronkelijk contract, vers 17. Nu vorst en volk samen waren in Gods huis, heeft hij zorggedragen dat zij, eer zij heengingen, tezamen een verbond zouden maken met God, en een wederzijds verbond met elkaar, opdat zij een recht begrip zouden hebben van hun plicht jegens God en jegens elkaar.
1. Hij poogde de belangen van de Godsdienst onder hen te verzekeren door een verbond tussen hen en God. Koning en volk zullen het sterkst aan elkaar verbonden zijn, als beide zich verbonden hebben aan de Heere. God had van Zijn kant reeds beloofd hun God te zijn-Jojada kon hun dit tonen in het boek van de getuigenis, -nu moeten koning en volk van hun zijde overeenkomen en beloven dat zij de Heere tot een volk zullen zijn. In dit verbond staat de koning op gelijke bodem met de onderdanen, hij is evenzeer verplicht en gehouden als iemand van hen om de Heere te dienen. Hiermede verbinden zij zich Baäl te verzaken, die velen van hun gediend hadden, en zich onder Gods bestuur te stellen. Het staat goed met een volk, als alle veranderingen, die er mee voorvallen, ertoe bijdragen om de Godsdienst onder hen te doen herleven, te versterken en te bevorderen. En diegenen zullen waarschijnlijk voorspoedig zijn, die hun loopbaan in de wereld weer beginnen onder nieuwe en merkbare verplichtingen aan God. Door ons verbond met God worden de banden van elke betrekking versterkt. Zij "gaven zichzelf eerst aan de Heere, en daarna aan ons," 2 Corinthiers 8:5.
2. Toen stelde hij zowel de kroningseed vast als de eed van trouw aan de koning, door welke de koning verplicht was te regeren overeenkomstig de wet en zijn onderdanen te beschermen, en zij zich verplichtten om, zolang als hij dat deed, hem te gehoorzamen en hem getrouw te zijn. Verbonden zijn nuttig zowel om ons te herinneren aan de verplichtingen, die reeds op ons rusten, als om de banden er van nog vaster te maken. Het is in alle betrekkingen goed, dat de partijen elkaar ten volle begrijpen, in het bijzonder in de betrekking tussen vorst en onderdaan, opdat de een wete waar de grenzen zijn van zijn macht en voorrechten, en de ander van zijn vrijheid en van zijn eigendom, en mochten de oude grenspalen, die onze vaderen gemaakt hebben, nooit teruggezet worden.
II. Het goed begin op deze grondslag.
1. Ingevolge hun verbond met God hebben zij terstond de afgoderij afgeschaft, die de vorige koningen uit inschikkelijkheid jegens het huis van Achab ingevoerd hadden, vers 18. Al het volk des lands, het grauw, verzamelde zich om hun ijver te tonen tegen afgoderij en, nu zij zo goed aangevoerd werden onder zo goede leiding stonden, wilde ieder de hand lenen om Baäls tempel, zijn altaren en zijn beelden neer te werpen. Al zijn aanbidders schenen hem verlaten te hebben, slechts zijn priester, Mattan, bleef alleen bij het altaar over, hoewel allen Baäl verlieten, wilde hij hem trouw blijven, en zo werd hij er gedood, het beste offer, dat ooit op dat altaar gebracht was. Baäls tempel verwoest hebbende, stelden zij beambten aan in het huis des Heeren om toe te zien, dat de dienst van God geregeld volbracht werd, en wel door de daartoe bevoegde personen, op de bestemde tijd, en naar de voorgeschreven wijze.
2. Ingevolge hun verbond met elkaar gaven zij hun bereidwilligheid voor elkaar te kennen.
a. De koning werd in statige optocht naar het paleis gevoerd, en zat daar op de troon van het gericht, vers 19, "de stoelen van het huis van David," gereed en bereid om gehoor te verlenen aan ieder van zijn onderdanen, die een rechtszaak had en zich op hem beriep, die hij dan naar Jojada zou verwijzen om door hem beoordeeld te worden.
b. Het volk was blij en Jeruzalem was rustig, vers 20. Josefus zegt dat zij een vreugdefeest vierden van vele dagen, waardoor Salomo's opmerking bewaarheid werd: "Een stad springt op van vreugde over het welvaren van de rechtvaardigen, en als de goddelozen vergaan is er gejuich," Spreuken 11:10.