2 Koningen 10:15-28
Jehu, zijn werk voortzettende:
I. Doet hier aanzoek om de vriendschap van een Godvruchtig man, Jonadab, de zoon van Rechab, vers 15, 16. Hoewel deze Jonadab van de wereld was afgestorven, en zich weinig inliet met haar zaken, (gelijk blijkt uit zijn last aan zijn nakomelingen, die zij nog driehonderd jaren daarna getrouw en nauwkeurig opvolgden, om geen wijn te drinken en niet in steden te wonen, Jeremia 35:6 verv.) en is hij toch bij deze gelegenheid uitgegaan om Jehu te ontmoeten, ten einde hem aan te moedigen in het werk, waar God hem toe geroepen had. De steun van een Godvruchtig man zal door grote en aanzienlijke mannen, indien zij wijs zijn gewaardeerd worden en zij zullen er zichzelf naar schatten. David bad: "Laat hen tot mij keren die U vrezen", Psalm 119:79. Deze Jonadab was geen profeet, geen priester of Leviet, geen vorst of overste, maar wij kunnen veronderstellen, dat hij een zeer uitnemend man was ten opzichte van Godsvrucht en wijsheid, en dat hij de algemene achting genoot vanwege het leven van Godsvrucht en zelfverloochening, dat hij heeft geleid. Jehu, hoewel hij een krijgsman was kende hem en had achting voor hem. Hij heeft er wel niet aan gedacht om hem te ontbieden maar toen hij hem ontmoette hield hij stil-hoewel hij toen waarschijnlijk met evenveel onstuimigheid dreef als altijd-om hem aan te spreken, en hier wordt ons meegedeeld wat er tussen hen voorviel.
1. Jehu groette hem, hij zegende hem luidt het oorspronkelijke, betoonde hem de eerbied en de genegenheid, die verschuldigd waren aan iemand, die zo'n groot voorbeeld was van ernstige Godsvrucht.
2. Jonadab verzekerde hem, dat hij hem oprecht was toegedaan en van harte het goede wenste voor zijn zaak. Jehu beleed dat zijn hart met hem was, dat hij een oprechte genegenheid voor hem koesterde, eerbied had voor de kroon van zijn nazireërschap, en wenste te weten of hij dezelfde genegenheid koesterde voor hem, en genoegen had in de kroon van de koninklijke waardigheid, die God op zijn hoofd heeft geplaatst. Is uw hart recht? Dat is een vraag, die wij dikwijls onszelf moeten doen: "ik doe een goede belijdenis, heb een goede naam verkregen onder de mensen, maar is mijn hart recht? Ben ik innerlijk oprecht voor God?" Jonadab gaf er hem zijn woord voor: Het is, ja het is, en gaf hem zijn hand als een onderpand van zijn hart, stemde met hem in, erkende hem in het werk van de wraak en van de reformatie, waaraan hij nu bezig was.
3. Jehu liet hem op zijn wagen klimmen en nam hem mee naar Samaria. Hij deed hem eer aan door hem bij zich in de wagen te nemen, -Jonadab was niet dikwijls in een wagen, en vooral niet met een koning-maar hij ontving groter eer van hem en van de steun, die hij aan zijn tegenwoordig werk verleende. Alle sobere lieden zullen er te betere gedachten om hebben van Jehu, nu zij Jonadab bij hem in de wagen zien. Dit was niet de eerste maal dat de Godsvrucht van sommigen gebruikt werd om de staatkunde van anderen te dienen, en dat listige mensen zich versterkt hebben door vrome mensen aan hun zijde te krijgen. Jonadab was vreemd aan de kunstenarijen van vleselijke wijsheid, en heeft in eenvoudigheid en oprechtheid Gods in de wereld verkeerd, en daarom: indien Jehu een dienstknecht Gods is en een vijand van Baäl, dan zal hij zijn trouwe vriend wezen. "Kom dan," zegt Jehu, "ga met mij en zie mijn ijver aan voor de Heere, en dan zult gij reden zien om mijn zaak te omhelzen." Dat wordt gewoonlijk voor niet wèl gezegd gehouden van Jehu, als reden gevende om te vermoeden dat zijn hart niet recht was in hetgeen hij deed voor God, en dat de ijver, die hij voorwendde voor de Heere, in werkelijkheid ijver was voor hemzelf en zijn bevordering. Want:
a. Hij roemde er op, en sprak alsof God buitengewone verplichting aan hem er voor had.
b. Hij verlangde dat die ijver gezien zou worden, dat er op gelet zou worden, zoals de Farizeeën, die alles deden om van de mensen gezien te worden. Een oprecht hart wenst Gode te behagen en verlangt naar niets meer dan Zijn goedkeuring. Als wij naar de toejuiching van de mensen streven en hun lof tot ons hoogste doel maken, dan handelen wij uit een verkeerd beginsel. Of Jehu verder zag, kunnen wij niet beoordelen, hoe het zij, Jonadab ging met hem, en heeft hem waarschijnlijk aangevuurd en geholpen in de verdere volvoering van zijn opdracht, vers 17 verdelgende al de vrienden van Achab in Samaria. Een mens kan wreedheid haten en toch gerechtigheid liefhebben, kan zeer verre van bloeddorstig zijn, en toch "zijn voeten kunnen wassen in het bloed van de goddelozen," Psalm 58:11.
II. Beraamt de verdelging van al de dienaren van Baäl. De Baälsdienst was de schreeuwende zonde van het huis van Achab, die wortel van deze afgoderij was uitgerukt, maar er bleven nog zeer velen, die er mee besmet waren, en er was gevaar dat door deze anderen ermee besmet zouden worden. De wet van God gebood uitdrukkelijk dat zij ter dood gebracht moesten worden, maar zij waren zo talrijk, en zo verspreid door alle delen van het koninkrijk, en misschien zo verschrikt door Jehu's optreden, dat het moeilijk zou zijn hen allen te ontdekken, en een eindeloos werk om hen een voor een te vervolgen en ter dood te brengen. Jehu's plan is dus ze allen tegelijk te verdelgen.
1. Door een list, een bedrog, brengt hij hen allen in de tempel van Baäl. Hij gaf voor Baäl meer te willen dienen dan Achab hem ooit gediend heeft, vers 18. Misschien heeft hij dit ironisch gezegd, of om het gros van het volk op de proef te stellen, of zij zich tegen een besluit als dit zouden verzetten, zich zouden vertoornen over zijn bedreiging om de afgoderijen van zijn voorganger nog te vermeerderen, gelijk zij Rehabeams dreigement euvel opgenomen hebben, om de lasten, door zijn voorganger opgelegd, zwaarder te maken, en zouden zeggen: "indien dit gebeurt, dan hebben wij geen deel aan Jehu, geen erve aan de zoon van Nimsi." Maar het schijnt veeleer gesproken met opzet om de aanbidders van Baäl te bedriegen, en dan kan het niet gerechtvaardigd worden. De waarheid Gods heeft niemands leugen nodig. Hij liet een proclamatie uitgaan, waarin alle dienaren van Baäl opgeroepen werden om zich met hem te komen verenigen voor een offer aan Baäl, vers 19, 20, niet alleen de profeten en priesters, maar allen in geheel het koninkrijk, die Baäl aanbaden, die nu lang zo talrijk niet meer waren als in Elia's tijd. Wij kunnen veronderstellen dat Jehu's vrienden wel wisten wat hij voorhad, en zij waren er niet aan geërgerd, maar de dweepzieke, verdwaasde Baälsaanbidders begonnen zich zeer gelukkig te gevoelen, en zij dachten dat de gouden tijd voor hen terugkeerde. Joram had het beeld van Baäl weggedaan, Hoofdstuk 3:2, als Jehu het weer wil oprichten dan hebben zij hun wens, en dan zullen zij met vreugde uit alle delen van het land opgaan naar Samaria om de plechtigheid te vieren. Het deed hun genoegen het huis van Baäl vervuld te zien, vers 21, hun priesters te zien in hun ambtsgewaad, vers 22, en zelf droegen zij het een of ander teken om hun betrekking tot Baäl aan te duiden, want er was kleding voor alle dienaren van Baäl.
2. Hij droeg zorg dat geen van de dienaren des Heeren zich onder hen zou bevinden, vers 23. Dit hielden zij voor een voorzorg om de aanbidding van Baäl niet door vreemden te laten ontheiligen, maar het was toch vreemd dat zij niet zagen, dat zij hierdoor in een val gelokt waren, niet bespeurden dat er een aanslag tegen hen gesmeed werd. Maar het is geen wonder, dat zij, die zich door Baäl lieten bedriegen, (zoals alle afgodendienaars door hun afgoden bedrogen waren) zich door Jehu lieten bedriegen tot hun verderf.
3. Hij geeft orders om hen allen ter dood te brengen, en Jonadab heeft zich hierin met hem verenigd, vers 23. Na een nauwkeurig onderzoek om zeker te zijn dat geen van de dienaren Gods daar was, hetzij om de anderen te vergezellen, of uit nieuwsgierigheid, en er dus geen tarwe onder dit onkruid gemengd was, en nadat tachtig mannen op wacht waren gesteld aan al de deuren van Baäls tempel, opdat niemand zou ontkomen, vers 24, werden de wachten naar binnen gezonden om allen te doden met de scherpte van het zwaard en hun bloed met hun offeranden te mengen als een rechtvaardige wraak over hetgeen zij zelf soms gedaan hadden, als zij in hun blinden ijver zich sneden met messen en met priemen naar hun wijze, totdat zij bloed over zich uitstortten, I Koningen 18:28. Dienovereenkomstig werd gedaan, en hoewel dit schijnbaar wreed was, was het, de natuur van hun misdaad in aanmerking genomen, in werkelijkheid rechtvaardig. De Heere is een ijverig God.
4. De afgodendienaars aldus verdelgd zijnde werd de afgoderij zelf vernietigd. De gebouwen, behorende bij het huis van Baäl (die zo talrijk waren en zo statig, dat zij hier een stad worden genoemd), waar de Baälspriesters met hun gezinnen woonden, werden verwoest, al de beeldjes en schilderijen, die Baäls tempel versierden, met het grote beeld van Baäl, zelf werden naar buiten gebracht en verbrand, vers 26, 27, de tempel van Baäl werd afgebroken en tot een mesthoop gemaakt, het riool of de zinkput van de stad, opdat de gedachtenis er aan te schande zou worden. Aldus werd de Baälsdienst volkomen vernietigd in Israël, voor het tegenwoordige tenminste, hoewel hij eens zo de overhand had, dat er van al de duizenden van Israël slechts zeven duizend waren, die de knieën niet voor Baäl hadden gebogen, en deze bleven nog verborgen. Aldus zal God al de goden van de heidenen teniet doen, en vroeg of laat over allen triomferen.