10. Neem dan volgens het hier gezegde, die aanwijzing, ter harte en richt in daarnaar. a) Als iemand tot u komt, zoals dergelijke mensen zo graag de huizen binnensluipen (
2 Timotheus 3:6) en deze leer, namelijk de leer van Christus (
Vers 9) niet tot u brengt, maar in de plaats daarvan een andere in uw woning wil brengen, ontvang hem niet in uw huis, om hem vriendschappelijke gastvrijheid te verlenen en zegt tot hem niet "wees gegroet", behandel hem niet, ook niet bij een voorafgaand ontmoeten, alsof hij van u een broeder in Christus was.
a) Romeinen 16:17 Titus 3:10
Als hij deze leer niet meebrengt, die de zuivere leer van Christus is (verg. Vers 9), maar een leugenleer, volgens welke Christus niet de eeuwige Zoon van God, maar slechts een uitvloeisel uit de Godheid is, ontvang hem niet in uw huis, dat is, verleen hem geen herberg in uw huis zoals u gewoon bent aan de dienaren van het Evangelie te doen; vergun hem geen huisvesting, ten einde hij geen voet in de gemeente krijgt, maar genoodzaakt wordt om onverrichter zake te vertrekken en hem dus de gelegenheid benomen wordt om kwaad zaad in de gemeente te strooien. Maar hoe kan Kuria reeds bij de eerste ontmoeting weten, of een vreemdeling, die zich voordeed als een dienaar van het Evangelie, de juiste leer van Christus meebracht? Zij moest te dien einde de raad van de apostel volgen (1 Johannes 4:1) en de geesten beproeven, of zij uit God waren. Men mag veronderstellen, dat Kuria een verstandige en zeer geoefende Christin geweest is, voldoende in staat om zulke vreemdelingen, die ingang in haar huis en daardoor ook in de gemeente probeerde te verkrijgen, op de proef te stellen of zij zuiver waren in de meest wezenlijke grondleer van het Evangelie, bijzonder rakende de hoogwaardige persoon van de Verlosser, waarover de Gnostieken zulke verderfelijke en blijkbare dwalingen voedden. In geval het nu bleek, dat een onbekende leraar de zuivere leer van Christus niet meebracht, moet Kuria hem geen huisvesting verlenen en zelfs niet tot hem zeggen: wees gegroet. Eigenlijk staat er: wees blij. Deze was een gewone manier van groeten bij de Grieken. Wanneer men iemand in zijn huis ontving, gaf men daardoor zijn blijdschap over zijn aankomst te kennen, alsmede zijn wens, dat hij daar met genoegen verkeren mocht; en men verklaarde er tevens mee, dat men alles wilde toebrengen wat de vreemdeling genoegen en blijdschap verschaffen kon. De vermaning daarom: zeg tot iemand, die tot u komt, en deze leer niet meebrengt, niet: wees gegroet of wees blijde, geeft te kennen, dat Kuria en haar kinderen een dwaalleraar niet in haar huis moest verwelkomen, maar hem, zodra hij als een verleider kenbaar werd, afwijzen en het huis doen ruimen en zelfs zorg dragen, dat hij nergens ingang kreeg, om hem de gelegenheid te benemen zijn dwalingen te verspreiden. Zo'n handelwijze was billijk en noodzakelijk om de verleiders in hun heilloze bedoelingen teleur te stellen, omdat hen te herbergen de meest verderfelijke gevolgen na zich kon slepen.
Wij moeten namelijk wel opmerken, dat die dwaalleraars tot hen, die aan de leer van Christus getrouw waren, kwamen, niet om in hun nood herberg bij hen te vinden, maar om in hun woning opgenomen te worden, en althans enige tijd te vertoeven met het bepaalde doel, om hen te verleiden, om hun verderfelijke leer te verkondigen en aan te prijzen, tot haar omhelzing hen over te halen en de in het vlees verschenen Christus hen te doen verloochenen. Wij moeten verder wel opmerken, dat de vermaning van de apostel veronderstelt, dat dit boze doel de Christenen bekend was geworden, dat het ontvangen in huis hier betekent een herbergen, een opnemen in de huiselijke kring en een gemeenzame, broederlijke omgang met die verleiders en dat wij bij het groeten, waarvan Johannes spreekt, te denken hebben niet aan burgerlijke beleefdheid, maar aan zo'n groeten, waardoor men ingenomenheid en broederlijke eensgezindheid met die dwaalleraars zou openbaren, zich met hun komst gelukwensen en tonen, dat men gemeenschap had aan hun boze werken. Houden wij dit een en ander op het oog, dan blijkt ons, dat het liefde, wijze liefde jegens Kuria en haar kinderen was, die Johannes dus deed schrijven, dat bezorgdheid voor hen en hun waarachtig geluk hem drong hen dus te vermanen.