15. Daarom is dit ook een kwaad, dat ziekte aanbrengt, 1) en dat om der zonde wil op de mensenkinderen rust, dat hij in alle manier gelijk hij gekomen is, alzo heengaat, en niets van zijnen rijkdom kan medenemen; en wat voordeel is het hem, dat hij in den wind, voor vergankelijke nietige dingen gearbeid heeft; 2) is hij nu ook maar een weinig gelukkiger en meer van de genade Gods verzekerd dan de arme?
1) Maar was de mens recht ernstig werkzaam in het godsdienstige, dan zou hij door de genade en vertroostingen, in zijn hart uitgestort, zich te meer en beter voor de eeuwigheid bekwaam maken en een spijze vergaderen, die tot in eeuwigheid zou duren, daar alles, wat men in deze wereld voor het lichaam winnen kan, ook in dezelve blijven en met dezelve vergaan moet..
Of een schrikkelijk kwaad, een diep treurige toestand, indien men alles van het standpunt der tegenwoordige wereld beschouwt.
2) Het geld en goed blijft achter, en wordt door de vrolijke erfgenamen verteerd; de ziel moet echter zonder verschoning voor Gods gericht verschijnen, om rekenschap en verantwoording te doen van het toevertrouwde goed. Hij verwerft alzo voor zijne erfgenamen enen tijdelijken hemel en voor zich zelven ene eeuwige hel. Hoor, hoe de dood reeds met de sleutels van de geldkast rammelt, om den schat, dien de gierigheid zo dikwijls geteld heeft, ongeteld, misschien wel aan vreemden en ondankbaren weg te schenken. Hem zelven echter haalt hij tot loon voor zijn trouw bestuur, om hem arm en naakt in een duister hol te werpen. 16. En wat was verder zijn leven? Heeft hij ware vreugde daarin genoten? Ik zag, dat hij ook al zijne dagen in duisternis gegeten heeft, ook wanneer hij in de helder verlichte eetzaal zat; want God, het enige licht der ziel, was niet het licht zijns levens en de vrede Gods, de blijdschap des geestes en de heerlijkheid des hemels kende hij niet; en dat hij veel verdriets gehad heeft, omdat het bestuur en de vermeerdering zijner goederen hem zo veel kwelling baarde (1 Timotheus 6:10), ooknog zijne ziekte en onstuimigen toorn, die steeds aan zijn hart knaagde, wanneer hij den nijd en de afgunst zag, die zijn rijkdom verwekte, of de vele gevaren, waaraan hij blootgesteld was, opmerkte. Zijn gemoedsleven werd door dit alles verbitterd, en waar hij door lichamelijke ziekte bezocht werd, die hem noodzaakte zijne plannen op te geven en hem een naderend sterven en daarop volgend gericht aankondigde, daar was zijne plaag nog slechts te groter?
In de duisternis eten, betekent niet anders dan in zwaarmoedigheid zijn leven doorbrengen. Alle gierige en zwartgallige mensen vinden altijd iets, dat hun niet bevalt, waarover zij morren en waarop zij schimpen. Want zij zijn vol zorg, kommer en angst; zij kunnen niet vrolijk eten en drinken en hebben altijd iets, dat hen beangstigt en knelt..
Rijkdom, zo lang als hij achter slot en grendel zit, brult heftiger dan een leeuw en brengt alles in verwarring. Brengt gij hem echter uit de duisternis te voorschijn en vult gij er de hongerige lichamen der armen mede, dan verandert hij van een wild dier in een lam, van enen vijandelijken vervolger in enen gids; in plaats van een klip wordt hij ene haven, in plaats dat hij schipbreuk doet lijden, brengt hij stilte op zee aan..