1 Timotheus 4:1-5
Wij hebben hier ene voorspelling van den afval der laatste dagen, waarvan hij gesproken had als van iets, dat, zonder tegenspraak, geloofd werd onder de Christenen, in 2 Thessalonicenzen 2..
I. In het slot van het vorige hoofdstuk vonden wij de verborgenheid der godzaligheid opgenoemd, en derhalve wordt thans zeer geschikt de verborgenheid der ongerechtigheid uiteengezet. Doch de Geest zegt duidelijk dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof. Daarmee bedoelt hij den Geest in het Oude Testament, of den Geest sprekende door de profeten des Nieuwen Verbonds, of beide. De profetieën betreffende den antichrist komen van den Geest, zowel als de profetieën betreffende Christus. De Geest heeft in beide uitdrukkelijk gesproken van een algemenen afval van het geloof in Christus en van de ware aanbidding van God. Die zou komen in de laatste tijden, gedurende de Christelijke bedeling, want die wordt "de laatste dagen" genoemd, - in de volgende eeuwen van de kerk, want de verborgenheid der ongerechtigheid begon nu te werken. Sommigen zullen afvallen van het geloof Er zal zijn een afval van het geloof. Sommigen, niet allen, want ook in de slechtste tijden zal God een overblijfsel hebben naar de verkiezing der genade. Zij zullen afvallen van het geloof, het geloof dat den heiligen overgeleverd is, Judas vers 3, de gezonde leer van het Evangelie. Zich begevende tot verleidende geesten, mensen, die den Geest voorwenden, maar die niet geleid worden door den Geest, 1 Johannes 4:1. Geliefden, gelooft niet een iegelijk geest, niet ieder die den Geest voorwendt. Merk hier op:
1. Een van de grootste delen van den afval, namelijk het zich begeven tot leringen der duivelen, of den duivelen betreffende, dat is, de leer die leidt tot het vereren van engelen en heiligen, als een soort van mindere godheden tussen den onsterfelijke God en den mens, zulke als de heidenen demonen noemden en als zodanig vereerden. Dit ziet duidelijk op de Roomse kerk, en het was een van de eerste schreden naar den groten afval, het bewaren van de relieken van martelaren, het vereren van die overblijfselen, het oprichten van altaren, het branden van wierook, het heiligen van beelden en tempels, het aanbidden en verheerlijken van gestorven heiligen. Deze verering van demonen is herlevend heidendom, de voorloper van het grote beest.
2. De werkingen, waardoor deze afval en verleiding worden verbreid en in de hand gewerkt.
A. Het zal geschieden door geveinsdheid der leugensprekers, die agenten en zendelingen van Satan, die deze begoochelingen verbreiden door leugens en bedriegerijen en door valse wonderen, vers 2. Het geschiedt door hun huichelarij, want zij geven voor Christus te vereren, en bestrijden terzelfder tijd al Zijn instellingen en bederven al Zijn bevelen. Dit ziet evenzo op de huichelarij van hen, die hun geweten met een brandijzer toegeschroeid hebben, die geheel en al verloren zijn voor de eerste beginselen van deugd en zedelijkheid. Zo de mensen hun geweten niet als met een gloeiend ijzer toegeschroeid hadden, zouden zij nooit een macht staande houden, die ter wille van de "Katholieke" zaak ontslaat van eden, nooit volhouden dat men aan ketters zijn gegeven woord niet behoeft te houden, nooit zich zelven ontdoen van de laatste overblijfselen van menselijkheid en medelijden, nooit de gruwelijkste wreedheden plegen, onder voorwendsel dat ze daardoor de belangen der kerk dienen.
B. Een ander deel van hun kenmerken is dat zij verbieden te huwelijken, hun geestelijken verbieden in het huwelijk te treden en zeer vernederend over het huwelijk spreken, ofschoon dat een instelling Gods is, en dat zij gebieden zich van spijzen te onthouden, en door zulke onthouding op bepaalde tijden godsdienstig te noemen, dwingelandij oefenen over de gewetens der mensen.
3. Uit een en ander leren wij:
A. De afval van de latere tijden moet ons niet verwonderen, want hij is opzettelijk door den Geest voorzegd.
B. Die Geest is God, want anders kon Hij niet met zekerheid zulke toekomende gebeurtenissen voorzeggen, die voor zoveel ons betreft onzeker en onbestemd zijn, want ze hangen af van de luimen en de gemoedsgesteldheid der mensen.
C. Het onderscheid tussen de voorzeggingen van den Geest en de orakels der heidenen is merkwaardig, de Geest spreekt beslist, de orakels der heidenen waren altijd twijfelachtig en onzeker.
D. Het is troostvol te bedenken, dat door zulk een algemenen afval niet allen, maar slechts sommigen, medegesleept worden,
E. Het is de gewoonte van verleiders en bedriegers den Geest voor te wenden, hetgeen sterk verraadt dat zij allen wel overtuigd zijn, dat niets beter in ons werkt een goedkeuring van hetgeen geleerd wordt dan de gedachte dat het van den Geest komt,
F. De mensen moeten verhard worden en hun geweten toeschroeien, alvorens zij het geloof kunnen verlaten en anderen met zich aftrekken,
G. Het is een teken, dat de mensen het geloof hebben verlaten, wanneer zij bevelen hetgeen God verboden heeft, zoals de aanbidding van heiligen en engelen, en verbieden wat God toegestaan of bevolen heeft, zoals huwelijk en spijzen.
II. Na hun huichelachtig vasten genoemd te hebben, neemt de apostel gelegenheid om de leer van de Christelijke vrijheid te beperken, die wij onder het Evangelie genieten, de vrijheid om al Gods schepselen te gebruiken. Terwijl onder de wet onderscheid tussen de spijzen gemaakt was, waardoor het ene rein en het andere onrein was, het ene wel en het andere niet gegeten mocht worden, is dat nu weggenomen, en is ons gezegd dat wij niets onrein behoeven te noemen, Handelingen 10:15. Merk hier op:
1. Wij hebben bij ons voedsel steeds te denken, dat God het geschapen heeft, dat wij het van Hem hebben en het daarom in Zijn dienst gebruiken moeten,
2. God, deze dingen scheppende, had een bijzonder doel voor de gelovigen en die de waarheid bekend hebben, de ware Christenen, die een verbondsrecht op deze schepselen hebben, terwijl de anderen er slechts een recht van nature op hebben,
3. Wat God heeft geschapen moet met dankzegging genomen worden. Wij mogen de gaven van Gods goedheid niet weigeren, ook niet angstvallig onderscheidingen maken waar God ze niet gemaakt heeft, maar ze ontvangen en dankbaar zijn, erkennende de macht van God als hun Schepper en Zijn goedheid als hun Gever. Alle schepsel Gods is goed en er is niets verwerpelijk, vers 4. Dit ontslaat ons duidelijk van alle onderscheiding van spijzen, door de ceremoniële wet voorgeschreven, zoals met name zwijnenvlees, dat den Joden verboden was maar ons Christenen geoorloofd, volgens den regel: Alle schepsel Gods is goed. Gods goede schepselen worden dan goed en dubbel aangenaam voor ons, wanneer ze met dankzegging genomen worden. Want het wordt geheiligd door het woord van God en door het gebed, vers 5. Het is zeer begeerlijk een geheiligd gebruik te hebben van onze aardse voorrechten. Zij worden voor ons geheiligd:
A. Door het woord van God, niet alleen Zijn verlof, dat ons de vrijheid geeft deze dingen te gebruiken, maar ook door Zijne belofte ons met geschikt voedsel te zullen onderhouden.
B. Door het gebed, dat onze spijzen voor ons zegent. Het woord van God en het gebed moeten in onze gewone dagelijkse daden gebracht worden en wij moeten alles doen door het geloof. Merk hier op:
a. Alle schepsel is Gods schepsel, want Hij heeft ze alle gemaakt.
Al het gedierte des wouds is Mijne, de beesten op duizend bergen, Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij, Psalm 50: 10, 11.
b. Elk schepsel Gods is goed, want God overzag al wat Hij gemaakt had en zie, het was zeer goed, Genesis 1:31.
c. De zegen Gods maakt elk schepsel voedzaam voor ons, de mens leeft niet alleen bij brood, maar bij alle woord dat uit den mond Gods uitgaat, Mattheus 4:4, en daarom mogen wij Hem niets weigeren.
d. Wij moeten daarom in het gebed Zijn zegen er over vragen en daardoor de schepselen heiligen, die wij op ons gebed ontvangen hebben.