1 Johannes 4:4-6
In deze verzen bemoedigt de apostel de discipelen tegen de vrees voor en het gevaar van dezen verleidenden anti-christelijke geest, en dat wel door de volgende opmerkingen.
1. Hij verzekert hen van een meer goddelijk beginsel in hen: Kinderkens, gij zijt uit God, vers 4. Gij zijt Gods kleine kinderen. Wij zijn van God, vers 6. Wij zijn uit God geboren, door God onderwezen, door God gezalfd en daardoor tegen besmettelijke noodlottige verleidingen verzekerd.
2. Hij geeft hun hoop op de overwinning.
En hebt hen overwonnen, vers 4. Gij hebt totnogtoe al deze verleiders en hun verzoekingen overwonnen, en daar is goede reden om te hopen, dat gij dat verder zult doen, en zulks om deze twee redenen:
A. Er is een sterke bewaarder in u. Want Hij is meerder die in u is, dan die in de wereld is, vers 4. De Geest van God woont in u, en die Geest is sterker dan enige geest van mensen of duivelen. Het is een grote gelukzaligheid onder den invloed van den Heiligen Geest te zijn.
B. Gij zijt niet van dezelfde gemoedsgesteldheid als deze bedriegers. De Geest van God heeft uw geest geneigd naar God en den hemel, maar zij zijn van de wereld. De geest, die in hen de overhand heeft, leidt hen naar deze wereld, hun hart is aan haar gehecht, hun zoeken is de praal, het genoegen en het belang dezer wereld. En daarom spreken zij uit de wereld. Zij belijden een wereldsen Messias en Zaligmaker, zij ontwerpen een werelds koninkrijk en wereldse heerschappij, zij zorgen voor het verkrijgen van wereldse eigendommen en schatten, en vergeten dat het koninkrijk van den waren Verlosser niet van deze wereld is. Die wereldsgezindheid bezorgt hen aanhangers.
En de wereld hoort hen, vers 5. Zij worden gevolgd door dezulken als zij zelven zijn, de wereld heeft hen lief die uit haar zijn en zij hebben de wereld lief. Maar zij zijn goed op weg om verderflijke dwalingen te verwerven, die de liefde van deze verleidende wereld verkregen hebben!
3. Hij stelt hun voor ogen dat ofschoon hun gezelschap kleiner moge zijn, het des te beter is, zij bezitten meer heilige en goddelijke kennis. Die God kent, hoort ons. Hij, die de reinheid en heiligheid Gods kent, de liefde en genade Gods, de waarheid en getrouwheid Gods, het oude woord en de profetieën Gods, de tekenen en getuigenissen Gods, weet dat Hij met ons is, en hij die dat weet zal met ons blijven. Hij, die goed onderlegd is in natuurlijken godsdienst, zal des te vaster den Christelijken godsdienst aanhangen. Die God kent (in Zijn natuurlijke en zedelijke uitnemendheden, openbaringen en werken) hoort ons, vers 6. En daartegenover: die uit God niet is, hoort ons niet. Hij, die God niet kent, slaat geen acht op ons. Hij, die niet uit God geboren is, wandelt naar het ingeven van zijn natuurlijk hart en wandelt niet met ons. Hoe verder iemand van God staat-het is de ondervinding van alle eeuwen-des te verder is hij van Christus en diens getrouwe dienstknechten verwijderd, en hoe meer de mensen aan de wereld gehecht zijn, des te meer ontbloten zij zich van den geest des Christendoms. Hier is het onderscheid tussen ons en de anderen: Hieruit kennen wij den Geest der waarheid en den geest der dwaling, vers 6. Deze leer betreffende den persoon des Zaligmakers, die u van de wereld naar God leidt, is een teken van den Geest der waarheid, het tegenovergestelde is de geest der dwaling. Hoe reiner en heiliger ene leer is, des te meer reden bestaat er om te denken dat zij uit God is.