Romeinen 13:1-6
Hier wordt ons onderwezen hoe wij ons te gedragen hebben jegens de overheid, en jegens allen, die gezag over ons hebben, hier genoemd de machten over ons gesteld , waardoor aangeduid wordt hun gezag (zij zijn machten) en hun waardigheid (zij zijn hogere machten. Bedoeld worden niet alleen de koning als de opperste machthebbende, maar ook alle lagere overheden, die onder hem staan, maar zij worden aangeduid niet persoonlijk, zodat de machthebbenden zelf genoemd worden, maar in hun hoedanigheid van machtbekleders. Hoewel de personen goddeloos kunnen zijn en er onder hen verworpenen kunnen zijn, die door de burgers van Zion veracht worden, Psalm 15:4, toch moet de rechtvaardige macht, waarmee zij bekleed zijn, geëerbiedigd en gehoorzaamd worden. De apostel heeft in het vorige hoofdstuk geleerd niet ons zelven te wreken en geen kwaad met kwaad te vergelden, maar opdat niemand er toe komen zou dit woord van toepassing te achten voor de burgerlijke overheid onder de Christenen, neemt hij hier de gelegenheid waar om haar noodzakelijkheid vast te stellen en aan te tonen, dat behoorlijke toepassing van straf op de kwaaddoeners gerechtvaardigd is, alhoewel dat kan schijnen het vergelden van kwaad met kwaad te zijn. Merk op:
I. Hoe de plicht omschreven wordt. Alle ziele zij de machten over haar gesteld onderworpen. Alle ziele, iedere mens, de dienaren niet uitgesloten, die zich geestelijken noemen, ofschoon de kerk van Rome dezulken niet alleen ontslaat van onderwerping aan de burgerlijke overheid, maar hen zelfs in gezag boven hen plaatst, door de grootste vorsten aan den paus te onderschikken, welke zich daardoor verheft boven al wat God genoemd wordt. Alle ziele. Niet in dien zin dat ons geweten aan enigen mens zou onderworpen zijn. Het is Gods uitsluitend voorrecht wetten te maken, die onmiddellijk het geweten binden, en wij moeten Gode geven wat Godes is. Maar het duidt aan dat onze onderwerping vrijwillig en gewillig, oprecht en van harte zijn moet. Vloek den koning niet, zelfs in uwe gedachten, Prediker 10:20. Overleggen en bedenken zijn verraad in den aanvang. De onderwerping van de ziel, die hier gevorderd wordt, omvat innerlijke verering, 1 Petrus 2:17, en uitwendige eerbied en eerbieding, zowel in het spreken over als in het spreken tot haar, gehoorzaamheid aan haar bevelen in alles wat wettig en recht is, en in andere dingen een geduldige onderwerping zonder tegenstand aan de straf, een overeenkomen met de houding, die onderdanen betaamt, een voegen van onze ziel naar de betrekking en den toestand, de minderheid en de onderworpenheid die daartoe behoren. Zij zijn hogere machten, weest er mede tevreden dat zij het zijn en onderwerpt er u daarom aan. Er was veel reden om aan te dringen op deze onderwerping aan de burgerlijke overheid.
1. Ter oorzake van de beschuldiging, die door de wereld tegen den Christelijken godsdienst ingebracht werd, dat deze vijandig was tegen den openbaren vrede, en orde, en regering, een sekte die de wereld het onderst boven keren wilde, dat haar belijders vijanden van den keizer waren, te meer omdat hun leiders Galileërs waren, die vanouds voor oproerlingen uitgekreten werden. Jeruzalem was sedert eeuwen berucht als een rebelse stad, den koningen en landschappen schade aanbrengende, Ezra 4:15, 16. Onzen Heere Jezus werd daarvan ook beschuldigd, ofschoon Hij zei dat Zijn koninkrijk niet van deze wereld was, geen wonder dat Zijne volgelingen in alle eeuwen op gelijke wijze gelasterd werden, afvalligen, scheurmakers en oproerlingen genoemd werden, en aangezien werden voor de beroerders van het land. Hun vijanden hebben zulke voorstellingen nodig geacht tot rechtvaardiging van hun barbaars woeden tegen hen. De apostel daarom, ten einde deze beschuldiging te weerleggen en het Christendom van haar te zuiveren, toont aan dat gehoorzaamheid aan de burgerlijke overheid een van de wetten van Christus is, wiens godsdienst er toe bijdraagt om de mensen te vormen tot goede onderdanen, en dat het zeer onrechtvaardig was om aan het Christendom den opstand en de scheurmaking ten laste te leggen, waarmee zijn beginselen en voorschriften zo geheel en al in strijd zijn.
2. Ter oorzake van de verzoeking, waaraan de Christenen blootstonden om zich op andere wijze jegens de burgerlijke overheid te gedragen. Sommigen hunner waren van oorsprong Joden en dus opgevoed in het beginsel dat het onbetamelijk was voor het zaad van Abraham om aan andere volken ondergeschikt te zijn, hun koning moest een hunner broederen zijn, Deuteronomium 17:15. Bovendien had Paulus hen geleerd dat zij niet meer onder de wet waren, maar dat Christus hen had vrijgemaakt. Opdat deze vrijheid niet in losbandigheid zou ontaarden en misbruikt worden om scheuring en opstand te verwekken, verbindt de apostel er aan gehoorzaamheid aan de burgerlijke overheid. Daarop moest des te noodzakelijker de nadruk gelegd worden, omdat de overheden heidenen en ongelovigen waren, hetgeen echter hun burgerlijk gezag en macht niet teniet deed. En eindelijk, de burgerlijke overheid vervolgde de gemeente, de inhoud van Gods wet was tegen haar.
II. De redenen, die op dezen plicht aandrongen. Waarom moeten wij onderworpen zijn?
1. Om des oordeels wille. Ter wille van het gevaar, dat wij ons door verzet op den hals halen. De overheid draagt het zwaard, en zich tegen haar verzetten is al wat ons in de wereld dierbaar is, er aan wagen, want het is gevaarlijk te twisten met hem, die het zwaard draagt. De Christenen waren in die tijden van vervolging aan het zwaard blootgesteld ter wille van hun belijdenis, en zij behoefden er zich waarlijk niet nog meer aan bloot te stellen door oproer. De minste schijn van tegenstand of verzet bij een Christen zou dadelijk vergroot en overdreven worden en daardoor zeer gevaarlijk voor de gehele gemeenschap worden. Derhalve was het voor hen nog meer dan voor anderen noodzakelijk zeer nauwgezet in hun onderwerping te zijn, opdat degenen, die zoveel aanmerking op hen hadden ter wille van hun godsdienst, er geen aanleiding bij zouden krijgen. Daartoe wordt in de eerste plaats de volgende beweegreden aangegeven, vers 2. Alzo die de macht weerstaan zullen over zich zelven een oordeel halen, krima lêpsontai. Zij zullen daarover ter verantwoording geroepen worden. God zal daarover met hen rechten, want hun tegenstand slaat terug op Hem. En de overheid zal daarover met hen rechten. Zij zullen komen onder het vonnis der wet, zij zullen ondervinden dat alle burgerlijke overheid te hoog staat om door hen vertrapt te worden, en dat alle hogere machten stipt rechtvaardig en streng zijn tegen verraad en opstand. Dat volgt hier, vers 3. De oversten zijn tot een vreze. Dat is een goede beweegreden, maar voor den Christen is het een wet.
2. Wij moeten onderworpen zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om des gewetens wille, vers 5, niet zozeer formidinepoenae, uit vrees voor straf, als wel virtutis amore, uit liefde tot de deugd. Dit maakt de gewone burgerlijke verrichtingen aangenaam in Gods ogen, wanneer zij gedaan worden om des gewetens wille met het oog op God en op Zijne voorzienigheid, die ons in deze betrekkingen geplaatst heeft, en op zijn voorschrift, dat onderwerping aan deze betrekkingen ons ten plicht gesteld heeft. Zo kan dezelfde zaak uit zeer verschillende beginselen verricht worden. Ten einde nu ons geweten daartoe te verplichten wijst hij er op:
A. De instelling van de overheid. Er is geen macht dan van God, vers 1. God als de rechter der wereld heeft de instelling van de overheid verordend, zodat alle burgerlijke macht van Hem als de oorspronkelijke macht afkomstig is, en Hij door Zijne voorzienigheid de regering in hun handen gelegd heeft, wie zij ook zijn mogen. Door Hem regeren de koningen, Spreuken 8:15. De overweldiging van de macht en het misbruik van macht zijn niet uit God, want Hij is de bewerker van de zonde niet, maar de macht zelf is uit God. Gelijk onze natuurlijke vermogens, ofschoon dikwijls misbruikt en tot werktuigen der zonde gemaakt, haar oorsprong hebben in Gods scheppende macht, zo zijn de burgerlijke machten ingesteld door Gods regerende macht. De onrechtvaardige en gewelddadige vorsten hebben geen andere macht, dan die hun van boven gegeven werd, Johannes 19:11. De goddelijke voorzienigheid werkt op bijzondere wijze in de veranderingen en omwentelingen van regering, die zo groten invloed hebben op landen en koninkrijken, en op zulk een menigte van afzonderlijke personen en kleinere gemeenschappen. Of: het kan bedoeld zijn van de regering in het algemeen, het is een bewijs van Gods wijsheid, macht en goedertierenheid in het besturen van de mensheid, dat Hij het onderscheid tussen regeerders en geregeerden heeft ingesteld, en hen niet heeft gelaten als de vissen in de zee, waarvan de grotere de kleinere verslinden. Hij heeft daardoor gehandeld in het belang Zijner schepselen. De machten die er zijn, welke bijzondere vorm en wijze van regering men ook noemen kan, hetzij alleenheerschappij, regering van edelen of volksregering, in welken vorm zich de regerende macht ook moge openbaren, -zij is een instelling Gods en moet als zodanig beschouwd en geëerbiedigd worden. Ofschoon zij onmiddellijk een instelling van mensen kan zijn, 1 Petrus 2:13, is zij oorspronkelijk een instelling van God. Van God verordend, tetagmenai, een woord aan het krijgswezen ontleend, dat niet alleen betekent de instelling van de overheid, maar ook de ondergeschiktheid van lagere overheden aan de hoogste, gelijk in een leger, want onder de overheid is verscheidenheid van gaven, waardigheden en bedieningen. Hierop volgt, vers 2 :Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de verordening van God wederstaat. Er komen andere dingen van God, die de grootste onheilen zijn, maar de overheid komt van God als een verordening, dat is als een grote wet, en zij is een grote zegen. Daarom zullen de kinderen Belials, die het juk ener regering niet willen dragen, geacht worden de wet te verbreken en den zegen te verachten. Daarom worden de overheden Goden genoemd, Psalm 82:26, want zij dragen het beeld van Gods gezag. Allen, die zich tegen hun macht verzetten, komen tegen God zelf in opstand. Dit is in geen enkel opzicht toepasselijk op de bijzondere rechten van koningen en koninkrijken en de takken van hun instelling, er kan ook geen bijzonder model aan ontleend worden voor het oorspronkelijk verband tussen regering en geregeerden, er wordt alleen gedoeld op het gedrag van afzonderlijke personen in hun eigen kring, om zich vredig en rustig te gedragen op de plaats, waar God hen gesteld heeft, met eerbiedige erkenning van de overheid, welke God in Zijne voorzienigheid over hen gesteld heeft, 1 Timotheus 2:1, 2. Overheidspersonen worden hier meermalen Gods dienaren genoemd. Zij zijn Gods dienares, vers 4, Gods dienaren, vers 6. Overheidspersonen zijn in meer bepaalden zin dienaren Gods, hun waardigheid legt hun verplichtingen op. Ofschoon zij heren zijn over ons, zijn zij Gods dienaren, hebben voor Hem werk te doen en zijn Hem rekenschap verschuldigd. In de uitoefening van de openbare gerechtigheid, het beslissen van geschillen, het beschermen van de onschuldigen, het straffen van de overtreders, het bewaren van nationale vrede en orde, zodat niet een iegelijk kan doen wat recht is in zijne ogen, in al deze dingen handelen de overheidspersonen als dienaren Gods. Gelijk het doden van een lagergeplaatsten overheidspersoon, terwijl hij in werkelijken dienst bezig is, gelijkgesteld wordt met het plegen van verraad jegens den vorst, zo is het tegenstaan van enigen overheidspersoon in het uitoefenen van hun wettigen plicht, tegenstaan van de verordening Gods.
B. Uit de bedoeling van de instelling der overheid. De oversten zijn niet een vreze den goeden werken, maar den kwaden, vers 3. De overheid is ingesteld om te zijn: a. Een vreze voor de kwade werken en voor hen die het kwade werken. Zij draagt het zwaard, niet alleen het zwaard des oorlogs, maar het zwaard der gerechtigheid. Zij hebben de middelen tot bedwang, zij moeten de overtreders het zwijgen opleggen. Laïs had er behoefte aan, Richteren 18:7. De macht van de zonde en het bederf zijn zo groot, dat menigeen anders niet zou teruggehouden worden van de grootste uitspattingen, en dezen zijn de gevaarlijksten en verderflijksten voor de menselijke maatschappij, want zij missen allen eerbied voor de wet Gods en den toekomenden toorn. Zij kunnen alleen in toom gehouden worden door vrees voor tijdelijke straffen, welke door de koppigheid en brutaliteit van de ontaarde mensheid noodzakelijk geworden zijn. Hier blijkt duidelijk dat wetten met strafbepaling tegen de wettelozen en ongehoorzamen, 1 Timotheus 1:9, onder Christelijke volken moeten ingesteld worden, en met het Evangelie overeenstemmende en er niet mee in tegenspraak zijn. Indien de mensen onder elkaar zulke beesten, zulke verscheurende dieren, geworden zijn, moeten zij dienovereenkomstig behandeld worden, gevangen en gedood worden in terrorem, om anderen af te schrikken. Het paard en de muilezel moeten geleid worden met toom en gebit. In dit werk is de overheid de dienaresse Gods, vers 4. Zij handelt als afgevaardigde Gods, wie de wraak toekomt, en zij moet daarom er tegen op hare hoede zijn om in haar rechtspraak enigszins haar eigen persoonlijke gevoelens te laten gelden. Zij is een wreekster tot straf dergenen, die kwaad doen, vers 4. Hierin komt de rechterlijke uitspraak van den ijverigsten en getrouwsten overheidspersoon, -ofschoon zij een voorspel is van en enige flauwe gelijkenis vertoont met het oordeel van den jongsten dag, -veel tekort bij de vonnissen van God. Zij bereikt alleen de slechte daden, kan alleen straf oefenen tegen hen die kwaad doen, maar Gods oordeel strekt zich uit ook tot de kwade gedachten en is een oordeler van de overleggingen des harten. Zij draagt het zwaard niet tevergeefs. God heeft niet voor niets en zonder doel de overheid met zulke macht bekleed, maar de bedoeling is het tegenhouden en onderdrukken van wanorde. En daarom: indien gij kwaad doet, kwaad dat valt onder de kennisneming en de strafbepalingen van de burgerlijke overheid, zo vrees, want de burgerlijke overheid heeft scherpe ogen en lange armen. Het is een goed ding, wanneer het straffen van de boosdoeners geschiedt als een verordening van God, door Hem ingesteld en voorgeschreven.
Ten eerste. Als een heilig God, die de zonde haat, waartegen openlijk getuigenis wordt gegeven, wanneer het kwaad op haar eigen hoofd terugkomt.
Ten tweede. Als een God der volken, en de God des vredes en der orde, die daardoor worden bewaard.
Ten derde. Als de beschermer van de goeden, wier personen, gezinnen, bezittingen en namen door deze middelen worden omtuind.
Ten vierde. Als de God, die het eeuwig verderf van de zondaren niet begeert, maar door de straf van enigen de anderen wil afschrikken en hen zo weerhouden van gelijke boosheid, opdat de anderen mogen horen en vrezen en zich voor overtreding hoeden. Zelfs kan het aangemerkt worden als een vriendelijkheid jegens hen die gestraft worden, opdat de geest, door de verderving van het lichaam, moge behouden worden in den dag van den Heere Jezus.
b. Tot prijs van degenen, die goed doen. Zij, die in den weg van hun plicht wandelen, zullen de genegenheid en de bescherming van de burgerlijke machten genieten, tot hun eigen welzijn en gemak. Doe hetgeen goed is, en gij behoeft de overheid niet te vrezen, vers 3, welke, ofschoon zij vreeslijk is, niemand aanraakt dan degenen, die zich door hun eigen overtredingen aan haar blootgeven. Het vuur verbrandt alleen hetgeen brandbaar is, ja, gij zult zelfs lof van haar hebben. Met dit doel is de overheid aangesteld, en daarom moeten wij, om des gewetens wille, aan haar onderworpen zijn, als aan een instelling die het algemeen welzijn bedoelt, en waarvoor alle afzonderlijke belangen wijken moeten. Maar het is verschrikkelijk indien zelfs deze zo genadig bedoelde instelling ontaardt, en dat zij die het zwaard dragen overeenstemmen en instemmen met de zonde, en daardoor een schrik worden voor degenen die weldoen. Zo gaat het echter wanneer de godlozen verhoogd worden, Psalm 12:2-9. Maar zelfs in dat geval zijn de zegeningen en voordelen van de algemene bescherming en het handhaven van regering en orde, zo veelvuldig, dat het dan nog eer onze plicht is ons aan de vervolging om het weldoen te onderwerpen en het geduldig te verdragen, dan te trachten door enige ongeregelde en wanordelijke handelingen herstel van grieven te verkrijgen. Nooit heeft enige oppermachtige vorst het doel der regering zo verkracht als Nero, en toch beriep Paulus zich op hem en genoot onder zijn bewind meermalen de bescherming van de wet en de lagere overheid.... Beter een slechte regering dan in het geheel gene.
C. In ons eigen belang. Zij is Gods dienaresse, u ten goede, vers 4. Gij geniet den zegen en het voordeel van de regering, en daarom moet gij doen al wat in uw vermogen is om haar te bewaren, en niets om haar te verstoren. Bescherming vordert aanhankelijkheid. Indien wij van de regering bescherming genieten, zijn wij haar onderwerping schuldig, door de regering staande te houden, handhaven wij onze eigen veiligheid. In deze onderwerping wordt ook toegestemd door de belasting, welke wij betalen, vers 6. Want daarom betaalt gij ook schattingen, die zijn een getuigenis van uw onderwerping, en een erkenning van uw geweten, dat gij daartoe verplicht zijt. Door het betalen van belasting draagt gij uw aandeel bij in het instandhouden van de overheid, indien gij haar niet onderworpen zijt, zult gij dus met de andere hand afbreken wat gij met de ene hand opbouwt, en is dat overeenkomstig uw geweten? Door het betalen van belasting erkent gij niet alleen het gezag van de overheid, maar ook den zegen van die overheid voor uzelven, het gevoelen daarvan geeft gij door die betaling te kennen, want gij geeft haar dat als een vergoeding voor al die zorgen en moeiten, die de regering haar kosten, want eer is een last. En wanneer de overheid zich gedraagt zoals het behoort, dan is zij in ditzelve geduriglijk bezig, want er is werk genoeg aan om al de krachten en den tijd van een mens in beslag te nemen, en uit aanmerking van die vermoeienis betalen wij belasting en behoren onderworpen te zijn. Betaalt gij schattingen, phoroes teleite. Hij zegt niet: "Gij geeft het als een aalmoes,', maar: "Gij betaalt het als een verschuldigd bedrag, of gij leent het om aan u terugbetaald te worden in al de zegeningen en voordelen van een geregeld bestuur, waarvan gij de vruchten moogt plukken." -Dit is de les, welke de apostel ons hier geeft, en het betaamt alle Christenen haar te leren en in praktijk te brengen, opdat de godvrezenden in den lande mogen blijken (wat de anderen ook mogen zijn) de stillen en de vredemakers in den lande.