Richteren 9:50-57
Wij hebben het verderf van de Sichemieten voltooid gezien door de hand van Abimelech, en nu komt de beurt van afrekening aan hem, die hun aanvoerder was in de goddeloosheid. Thebez was een kleine stad, waarschijnlijk niet ver van Sichem, er van afhankelijk en met haar in verbintenis.
I. Abimelech trachtte die stad te verwoesten vers 50, hij dreef al de inwoners van de stad naar het kasteel, of de citadel vers 51. Toen hij hen daar had, twijfelde hij niet of hij zou hen hetzelfde lot doen ondergaan als van hen, die in de sterkte van de tempel van Baäl-Berith een toevlucht hadden gezocht, niet bedenkende dat de toren van een afgodstempel meer blootgesteld was aan de Goddelijke wraak dan iedere andere toren. Hij poogde deze toren in brand te steken, of tenminste de deur er van te verbranden, om zich aldus een toegang te verschaffen, vers 52. Zij, die ontkomen zijn, geslaagd zijn in een hopeloze onderneming zijn allicht geneigd te denken dat een dergelijke onderneming op een andere tijd niet zo hopeloos is. Dit voorbeeld werd lang daarna aangehaald om te tonen, hoe gevaarlijk het is om nabij de muur van een belegerde stad te komen, 2 Samuël 11:20 en verv. Maar God verdwaast hen, die Hij wil verderven.
II. In die poging werd hij zelf gedood daar hem de hersenpan verpletterd werd door een stuk van een molensteen, vers 57. Ongetwijfeld was deze mens een doodslager, die, hoewel hij aan de gevaren van de strijd met Sichem was ontkomen de wraak toch niet laat leven Handelingen 28:4. "Het kwaad zal de zondaars vervolgen," en haalt hen soms in, als zij niet alleen gerust zijn, maar triomferen. Thebes was, naar wij kunnen veronderstellen, een zwakke onaanzienlijke plaats, tegelijk met Sichem veroverd. Abimelech, de grotere plaats ingenomen hebbende, twijfelt niet of hij zal zich zonder moeite van de kleinere kunnen meester maken, inzonderheid toen hij de stad reeds had genomen, en nog slechts om de toren had te strijden, en toch legt hij daar zijn gebeente neer, en daar wordt al zijn eer en heerlijkheid begraven. Aldus wordt het sterke van de wereld dikwijls beschaamd door het zwakke en door het verachte. Zie welke bestraffing Gods voorzienigheid menigmaal, en terecht, brengt over hen, die onredelijk zijn in hun eis om voldoening voor een aangedane belediging. Abimelech had wel enige reden om de Sichemieten te kastijden, en hij heeft het op een geduchte wijze gedaan, maar als hij zijn wraak nog verder wil voeren, en met niets minder tevreden kan zijn dan met evenzo Thebez te verwoesten, dan wordt hij daar niet slechts in teleurgesteld, maar zelf vernietigd, want: immers is er een God, die op de aarde richt.
Wij kunnen drie omstandigheden opmerken in de dood van Abimelech.
1. Dat hij gedood werd door een steen zoals hij al zijn broeders op een steen had gedood.
2. Dat zijn hersenpan werd verpletterd, de wraak richtte zich op dat schuldige hoofd, dat de overweldigde kroon had gedragen.
3. Dat de steen door een vrouw op hem werd geworpen, vers 63. Hij zag de steen komen, het was dus vreemd dat hij hem niet ontweek, maar ongetwijfeld was het een zoveel grotere vernedering voor hem te zien van welke hand hij kwam. Sisera stierf door de hand van een vrouw, maar wist het niet, maar Abimelech wist het, en toen hij bemerkte dat hij de laatste adem ging uitblazen, werd hij door niets zozeer verontrust als hierdoor, dat er gezegd zou worden: een vrouw heeft hem gedood. Zie hierin:
a. Zijn dwaze hoogmoed, waardoor hij deze nietige omstandigheid van zijn schande zo ter harte nam. Hier was geen zorg voor zijn kostelijke ziel, geen bekommernis omtrent hetgeen van haar zou worden, geen bede tot God om genade, maar een grote zorg om zijn reputatie te redden, toen er aan de redding van zijn leven niet meer te denken viel. O laat het toch nooit gezegd worden, dat zo'n groot, machtig man als Abimelech was, gedood werd door een vrouw! De man was stervende, maar zijn hoogmoed was levendig en sterk, en dezelfde ijdelheid en verwaandheid, die hem zijn levenlang had beheerst, blijft hem bij tot aan zijn laatste ogenblik. Qualis vita, finis ita -Zoals zijn leven was zo is zijn dood geweest. Gelijk God zijn wreedheid strafte door de manier van zijn dood zo heeft Hij zijn hoogmoed gestraft door het werktuig van zijn dood.
b. Zijn dwaas plan om aan die schande te ontkomen, niets kon bespottelijker zijn, zijn eigen dienaar moet hem doorsteken, niet om hem spoediger van zijn pijn te verlossen, maar opdat men niet zegge: een vrouw heeft hem gedood Kon hij denken dat hiermede verborgen zou worden wat de vrouw gedaan had, dat het er niet veeleer nog meer bekend door zal worden? Ja het vermeerderde nog de schande van zijn dood, want hierdoor werd hij een zelfmoordenaar. Het is beter dat er gezegd worde: een vrouw heeft hem gedood, dan dat er gezegd zou worden: zijn dienaar heeft hem op zijn bevel gedood, maar nu zal tot zijn eeuwige schande beide van hem gezegd worden. En het is opmerkelijk, dat juist die zaak welke Abimelech zo gaarne verborgen had willen houden, meer bijzonder door het nageslacht herdacht werd dan de meeste andere voorvallen van deze geschiedenis, want Joab spreekt er van als van hetgeen hij verwachtte, dat David hem zou verwijten wegens zijn zo dicht naderen tot de muur, 2 Samuël 11:21. De schande, die wij zoeken te ontwijken door zonde, daar vereeuwigen wij slechts de gedachtenis van.
De uitkomst van dat alles nu is dat, Abimelech gedood zijnde:
a. Israëls vrede hersteld was, en er een einde kwam aan deze burgeroorlog, want toen gingen zijn volgelingen een ieder naar zijn plaats, vers 55.
b. Gods gerechtigheid werd verheerlijkt, vers 56, 57. Alzo deed God weerkeren Abimelechs kwaad, en al het kwaad van de lieden van Sichem, en vervulde Hij Jothams vloek, want dat was geen vloek zonder oorzaak. Aldus handhaafde Hij de eer van Zijn regering, en deed Hij een waarschuwing komen tot alle eeuwen om bloed voor bloed te verwachten. De Heere is bekend geworden door het recht dat Hij gedaan heeft als de goddeloze verstrikt wordt in het werk van zijn eigen handen. Hoewel de boosheid voor een ogenblik voorspoedig is, zal zij toch niet altijd voorspoedig zijn.