Richteren 7:9-15
Gideons leger verminderd zijnde, zoals wij hierboven gezien hebben, moet hij of strijden door het geloof, of in het geheel niet strijden, daarom voorziet God hem van versterking voor zijn geloof, inplaats van versterking voor zijn strijdmacht.
I. Hij voorziet hem van een goed fundement om er zijn geloof op te bouwen, niets dan een woord van God zal een grondslag zijn voor het geloof, en dat heeft hij zo volledig en zo uitdrukkelijk als hij slechts kan begeren, vers 9. Een woord van bevel om hem te machtigen de strijd aan te vangen, die anders roekeloos en onoordeelkundig zou geweest zijn en onvoegzaam voor een verstandig veldoverste. Sta op, ga met deze handvol manschappen heen af in het leger, en een woord van belofte om hem van welslagen te verzekeren, dat anders zeer onwaarschijnlijk zou geweest zijn, Ik heb het in uw hand gegeven, het is geheel en al het uwe. Dit woord des Heeren kwam tot hem in dezelfde nacht, toen hij, naar wij kunnen veronderstellen, vol was van zorg hoe het met alles gaan zou, toen zijn gedachten in hem vermenigvuldigd werden, hebben deze vertroostingen zijn ziel verkwikt. Goddelijke vertroostingen komen tot de gelovigen niet alleen op krachtige wijze, maar ook ter rechter tijd.
II. Hij voorziet hem van een goeden steun voor zijn geloof.
1. Hij beveelt hem om zijn eigen verspieder te zijn, en om nu, in het holst van de nacht, stil naar het leger van de Midianieten te gaan, en te zien of hij er ook berichten kan inwinnen. "Vreest gij dan nog af te gaan om te strijden zo ga eerst met uw dienaar vers 10, en hoor wat zij zaken spreken, vers 11, en er wordt hem te kennen gegeven dat hij horen zal wat hem grotelijks zal versterken in zijn geloof. God kent de zwakheden van Zijn volk, en hoe grote bemoediging zij soms uit een kleine zaak kunnen ontvangen, en daarom, wetende wat aan Gideon zou voorkomen in dat deel van het leger tot hetwelk hij zou afgaan, beveelt Hij hem af te gaan en te horen wat zij zeiden opdat hij zoveel vaster zou geloven wat God zei. Hij moet Pura, zijn jongen, dat is, zijn dienaar, medenemen, deze was iemand, in wie hij vertrouwen kon stellen, waarschijnlijk een van de tien, die hem geholpen hadden om het altaar van Baäl af te breken, hem moest hij medenemen, maar niemand anders met hem, hij moest hem medenemen, om getuige te zijn van hetgeen hij de Midianieten zou horen zeggen, opdat, als de zaak aan Israël zal worden meegedeeld, uit de mond van deze twee getuigen het woord bestaan zal. Hij moet zijn jongen meenemen, omdat twee beter zijn dan een, en een weinig hulp beter is dan geen hulp.
2. Dit zo zijnde, beveelt Hij hem iets te gaan zien dat ontmoedigend was.
A. Het was genoeg om hem schrik aan te jagen, om, misschien wel bij maanlicht, het groot getal van de vijanden te zien, vers 12, de mannen, als sprinkhanen in menigte, en zij bleken, wat kracht en moed betreft, niet beter te zijn dan sprinkhanen, de kamelen konden evenmin geteld worden als het zand aan de oever van de zee. Maar:
B. Hij hoorde wat voor hem een goed voorteken was, en toen hij het gehoord had, ging hij onmiddellijk terug, veronderstellende dat hij nu wist waarvoor hij derwaarts was gezonden. Hij hoorde twee soldaten van het leger van de vijand, die elkanders metgezellen waren, samen spreken, waarschijnlijk samen in bed zijnde, en wakker geworden in de nacht. a. Een van hun vertelt zijn droom, en zoals onze dromen gewoonlijk zijn, ijdel en onbeduidend, en dus niet van de moeite waard om verteld te worden, was het een zeer dwaze droom. Hij droomde dat hij een gerstebrood zag, dat de heuvel kwam afrollen naar het leger van de Midianieten, en dit brood kwam tot aan de tent (misschien een van de voornaamste van hun tenten) "en het sloeg er met zo'n geweld tegen aan, dat (wie zou het geloven?) het de tent onderst boven wierp, de staken omver rukte en de touwen als met een slag verbrak, zodat de tent daar lag, en de bewoners er onder begraven lagen" vers 13. "In de veelheid van de dromen zijn ijdelheden," zegt Salomo, Prediker 5:6. Het is iets verwonderlijks welke vreemde onsamenhangende dingen dikwijls door een koddige verbeelding in onze dromen samengevoegd worden.
b. De ander, die misschien nog tussen slapen en waken was, neemt het op zich de droom uit te leggen, en die uitlegging schijnt zeer ver gezocht: Dit is niet anders dan het zwaard Gideons, vers 14. Onze uitleggers kunnen ons nu zeggen, hoe gepast de overeenkomst was, Gideon, die koren gedorst had voor zijn gezin en koeken had gemaakt voor zijn vriend, Hoofdstuk 6:11-19, werd zeer gepast voorgesteld door een brood, dat hij en zijn leger even onbeduidend waren als een brood, of koek, van een weinig meel bereid, even gering als een gerstebrood, in van de haast als een koek op de kolen gebakken, en evenmin instaat om dit grote leger te overwinnen, als een brood om een tent omver te werpen. Maar toch! Zijn de uitleggingen niet van God? Hij legde het in het hoofd van de een om te dromen, en in de mond van de ander legde Hij de betekenis er van. Indien Gideon alleen de droom had gehoord, en hij en zijn dienaar er de uitlegging van hadden moeten geven, dan zou er zo weinig betekenis in zijn, dat het hem weinig dienst zou gedaan hebben, maar die uitlegging horende uit de mond van een vijand, scheen zij niet slechts van God te komen die aller mensen tong en hart in Zijn hand heeft, maar het was ook een blijk en bewijs dat de vijand geheel ontmoedigd was, en de naam Gideon voor hen zo geducht was geworden, dat het hen verontrustte in hun slaap. De overwinning zal gemakkelijk behaald worden, nu het hart van de vijanden reeds bezweek van vrees voor hem, en zij hem dus de overwinning zo gedwee toekenden. God heeft de Midianieten en dit hele leger in zijn hand overgegeven. Diegenen zullen niet waarschijnlijk strijden, die zagen, dat God tegen hen streed.
Gideon, die de vinger Gods zag, hem op die tijd naar deze plaats wijzende teneinde de droom en de uitlegging er van te horen, was er ten zeerste door bemoedigd tegen de vrees, die hem bevangen had, toen hij zijn leger zo verminderd zag. Het deed hem veel genoegen zich te hebben horen vergelijken bij een gerstebrood, toen dit bleek zulke grote dingen te hebben gedaan. Hierdoor bemoedigd zijnde, wordt ons gezegd, vers 15,
Ten eerste. Dat hij er Gode de eer van gaf, hij aanbad, boog zijn hoofd, of hief wellicht zijn ogen en handen op in een kort gebed, God dankende voor de overwinning, waarvan hij zich nu verzekerd hield, en voor deze aanmoediging om haar te verwachten. Waar wij ook zijn, overal kunnen wij tot God spreken en Hem aanbidden, een open weg vinden naar de hemel. God moet de lof hebben voor hetgeen ons geloof bemoedigt. En Zijn voorzienigheid moet erkend worden in de voorvallen, die hoewel onbeduidend en schijnbaar toevallig, toch blijken ons dienstig te zijn.
Ten tweede. Hoe hij zijn vrienden liet delen in de bemoediging, die hij had ontvangen. Maakt u op, bereidt u terstond voor de opmars, de Heere heeft het leger van de Midianieten in ulieder hand gegeven.