Richteren 21:16-25
Wij hebben hier de methode, die gevolgd werd om de twee honderd Benjaminieten, die nog geen vrouw hadden, van vrouwen te voorzien. En hoewel de stam tot op een klein aantal verminderd was, hebben zij toch slechts gezorgd, dat iedere man een vrouw kreeg, niet meer onder voorwendsel van zoveel spoediger te vermenigvuldigen. Zij mogen hun hun dochters niet geven, maar om hun eed niet te breken, en toch sommigen van hun dochters met hen te doen huwen, stelden zij hen op de weg om haar bij verrassing te nemen en ze te hangen welke huwelijken dan bekrachtigd zouden zijn door de toestemming harer ouders, "ex post facto-na de daad." Hoe minder nagedacht werd voor het afleggen van een gelofte, hoe meer nadenken gewoonlijk daarna vereist wordt, om haar te kunnen houden.
I. Hetgeen hiertoe gelegenheid gaf, was een publiek bal te Silo in het veld, waarop al de jonge dochters dier stad en van de omliggende plaatsen, die er lust toe hadden, samen kwamen om te dansen ter ere van een feest des Heeren, dat toen waargenomen werd, waarschijnlijk het Loofhuttenfeest, vers 19, want alleen op dat feest-zegt bisschop Patrick-werd het aan de Joodse maagden vergund te dansen, en dat niet zozeer voor haar vermaak als wel om heilige vreugde te kennen te geven, zoals David, toen hij voor de ark gedanst heeft, want anders zou de tegenwoordige zeer treurige staat van zaken het dansen ontijdig en dus opgepast gemaakt hebben, Jesaja 22:12, 13. Dit dansen was zeer ingetogen en kuis, het was geen gemengd dansen, dat is, geen mannen dansten met deze dochters van Silo, en geen gehuwde vrouw vergat haar waardigheid om zich in die dans bij de jonge dochters te voegen. Evenwel, haar dansen in het openbaar maakte haar tot een gemakkelijke prooi voor hen die het oog op haar hadden. Weshalve bisschop Hall hierbij opmerkt dat door de listen en lagen van de boze geesten vele zielen van de dans naar een ontzettend verderf worden gevoerd.
II. De oudsten van Israël hebben de Benjaminieten volmacht gegeven om dit te doen: zij moesten zich opstellen in de wijngaarden, die het veld omringden, waar gedanst werd, en als zij in het midden van het spel waren, dan moesten zij ze overvallen, en zich ieder een vrouw nemen, en haar terstond wegvoeren naar zijn eigen land, vers 20, 21. Zij wisten dat geen van hun eigen dochters daar zijn zou zodat er niet gezegd kon worden dat zij haar gaven want zij wisten niets van de zaak. Een armzalige uitvlucht is nog beter dan geen, als er het schenden van een eed door vermeden kan worden.
Veel beter zou het zijn om zeer voorzichtig te wezen bij het doen van geloften, opdat dan later niet nodig zij te zeggen voor het aangezicht des engels, dat het een dwaling was. Hier was een zeer verkeerde manier van huwelijken aan te gaan, als zowel de wederzijdse genegenheid van de jonge lieden, als de toestemming van de ouders verondersteld worden later te komen. Het was een buitengewoon geval, en mag volstrekt niet als precedent gesteld worden. Een al te haastig gesloten huwelijk geeft maar al te dikwijls aanleiding tot langdurig naberouw en welk huwelijksgeluk kan verwacht worden van een huwelijk, dat hetzij door geweld of bedrog gesloten wordt? De maagden van Jabes in Gilead werden genomen uit het midden van bloed en doodslag, maar die te Silo uit het midden van vrolijkheid en vreugde, de eersten hadden alle reden om dankbaar te zijn dat zij haar ziel, dat is haar leven, tot een buit hadden, en het is te hopen, dat de laatsten, na een wijle, geen reden tot klagen hadden, toen zij zich gehuwd vonden aan mannen, die niet arm of berooid waren, zoals zij schenen te zijn, toen zij onlangs van uit een spelonk gehaald werden, maar aan mannen, die de beste en ruimste bezittingen hadden van geheel het vork, zoals zij wel moesten hebben, toen het erfdeel van geheel de stam van Benjamin, die bestond uit vijf en veertig duizend zes honderd getelden Numeri 26:41, opnieuw verdeeld werd onder zes honderd, die de enig overgeblevenen waren.
III. Zij namen het op zich om de veders van deze jonge dochters tevreden te stellen. Wat betreft het inbreuk maken op hun vaderlijk gezag, dat zullen zij gemakkelijk vergeven, als zij bedenken welke rijke huwelijken hun dochters hierdoor deden, en welke moeders in Israël zij waarschijnlijk zullen worden, maar de eed, door welke zij gebonden waren, om hun dochters aan geen Benjaminieten te geven, zou misschien hen blijven bezwaren, die een teder geweten hadden. Maar deswege konden zij hierdoor gerustgesteld worden:
1. Dat de nood dringend was, vers 22, daar zij geen huisvrouw voor een ieder van hen in deze krijg genomen hebben, thans erkennende dat zij slecht hebben gedaan met al de vrouwen te doden, en begerende vergoeding te doen voor hun al te strenge opvatting van hun gelofte om ze te doden, door de gunstigste opvatting van hun gelofte om geen huwelijken met hen aan te gaan. "En daarom, zijt hun genadig om onzentwil, die al te streng zijn geweest, en laat hen behouden wat zij verkregen hebben." Want:
2. Strikt genomen was het geen verbreken van hun gelofte. Zij hadden gezworen hun hun dochters niet te geven, maar zij hadden niet gezworen ze terug te halen, indien zij met geweld genomen werden. Zodat, indien er iets verkeerds was, dan waren de oudsten, niet de ouders, er voor aansprakelijk, En "quod fieri non debuit, factum valet Hetgeen niet gedaan had moeten worden, is toch geldig als het gedaan is." De zaak is geschied en werd overeenkomstig de wet, Numeri 30:4 door stilzwijgen of oogluiking bekrachtigd.
Eindelijk. Aan het einde van dit alles hebben wij: 1. Dat de stam van Benjamin opnieuw gevestigd werd. De weinigen, die overgebleven waren, keerden terug naar het erfdeel van die stam, vers 23. En spoedig daarna is uit hen Ehud voortgekomen, die de tweede richter van Israël was en vermaard was in zijn tijd en geslacht, Hoofdstuk 3:15. 2. Het uit elkaar gaan van het leger Israëls, vers 21. Zij hebben zich niet tot een staand leger verklaard, en ook geen pogingen gedaan om enigerlei verandering in te voeren in de regering, maar toen de zaak afgedaan was, waarvoor zij samengeroepen waren, zijn zij in Gods vrede ieder naar zijn gezin teruggekeerd. De openbare dienst moet ons niet doen denken, dat wij verheven zijn boven onze eigen aangelegenheden en de plicht om voor ons eigen huis te voorzien. 3. Een herhaling van de oorzaak van deze beroerten, vers 25. Hoewel God hun Koning was, wilde ieder toch zijn eigen meester zijn, alsof er geen koning was. Geloofd zij God voor onze overheid.