Richteren 20:18-25
Wij hebben hier de nederlaag van de mannen Israëls in hun eersten en tweeden veldslag tegen de Benjaminieten.
I. Vóór hun eerste treffen vroegen zij God om raad betreffende hun slagorde, en ontvingen er leiding en bestuur voor, en toch werden zij geslagen. Zij achtten het niet gepast om aan God te vragen, of zij wel moesten optrekken tegen Benjamin (de zaak was duidelijk genoeg, de mannen van Gibea moesten voor hun goddeloosheid gestraft worden, en zij waren het, die hen moesten straffen, of zij zullen ongestraft blijven) maar: "Wie zal onder ons het eerst optrekken?" en dan: "Wie vervolgens?" Maar als zij weten, dat Juda het eerst moet optrekken, dan weten zij ook dat zij allen de orders van de overste van die stam moeten nakomen. Deze eer werd aan Juda aangedaan, omdat onze Heere Jezus uit die stam zou voortkomen, die in alles de eerste zou zijn. De stam, die het eerst optrok, had de eervolste plaats, maar daarbij ook de gevaarlijkste, en waarschijnlijk heeft hij in de veldslag ook de grootste verliezen geleden. Wie zal naar de voorrang dingen, als hij er het gevaar van ziet?
Maar hoewel Juda, die sterke en dappere stam, het eerst optrekt, en al de stammen Israëls hem volgen, is toch "Benjamin de kleine" -zo wordt hij genoemd in Psalm 68:28 -hun allen te sterk. Het gehele heir legerde zich tegen Gibea, vers 19. De Benjaminieten gaan voorwaarts om het beleg te doen opbreken, en het leger maakt zich op om hun een warm onthaal te geven, vers 20. Maar tussen de Benjaminieten, die hen met ongelooflijke woede aanvielen in het front, en de mannen van Gibea die een uitval deden tegen hun achterhoede geraakten zij in verwarring, en verloren zij twee en twintig duizend man, vers 21. Hier werden geen gevangenen gemaakt, want er werd geen lijfsgenade verleend, allen werden gedood met het zwaard.
II. Vóór de tweede veldslag hebben zij weer de Heere gevraagd, en dat wel met nog grotere plechtigheid dan de eerste maal want zij weenden voor het aangezicht des Heeren tot op de avond vers 23 treurende over het verlies van zoveel dappere mannen, inzonderheid wijl het een teken was van Gods misnoegen, en aan de Benjaminieten aanleiding zou geven om te juichen in de triomf van hun goddeloosheid. Zij vroegen ditmaal ook niet: Wie zal het eerst optrekken? maar of zij in het geheel wel optrekken moesten. Zij geven een reden te kennen, waarom zij er bezwaar tegen moesten hebben, inzonderheid nu Gods voorzienigheid hun tegen was, namelijk dat Benjamin hun broeder was, en zij geven ook hun bereidwilligheid te kennen om de wapens neer te leggen, indien God het hun gebood.
God beval hun op te trekken. Hij liet dit toe, ofschoon Benjamin hun broeder was, hij was een verkankerd lid van hun lichaam, en moest afgesneden worden. Hierop grepen zij weer moed, misschien meer in hun eigen kracht dan in de opdracht Gods, en deden een tweeden aanval op de krijgsmacht van de rebellen op dezelfde plaats waar de vorige veldslag geleverd was, vers 22, in de hoop van hun eer te herwinnen op dezelfde plaats, waar zij haar verloren hadden, en die zij niet op bijgelovige wijze wilden veranderen, alsof er iets ongelukkigs in de plaats was gelegen. Maar die tweede maal werden zij met een verlies van achttien duizend man teruggeslagen, vers 25. Het verlies van de vorigen dag en van deze bedroeg veertig duizend man, juist een tiende van het gehele leger, en hetzelfde aantal dat door het lot was aangewezen om voor de proviandering van het leger te zorgen, vers 10. Zij hadden zich voor deze dienst gedecimeerd, en nu heeft God hen wederom gedecimeerd voor de slachting.
Wat zullen wij tot deze dingen zeggen, als wij zien dat zó rechtvaardig en eervol een zaak eenmaal en nogmaals het onderspit moest delven? Streden zij dan niet Gods strijd tegen de zonde? Hadden zij Zijn opdracht niet? En dan toch zulke een mislukking!
1. Gods oordelen zijn een grote afgrond en Zijn weg is in de zee. Wolken en donkerheid zijn dikwijls rondom Hem, maar gerechtigheid en gericht zijn altijd de vastigheid zijns troons. Als wij de redenen niet zien kunnen van Gods handelingen, dan kunnen wij toch altijd zeker zijn van de rechtvaardigheid ervan.
2. God wilde hun-en ons in hen-tonen dat de loop niet is van de snellen noch de strijd van de helden, dat op getallen niet vertrouwd moet worden, en misschien hebben de Israëlieten er te veel vertrouwen op gesteld. Nooit moeten wij op een vlesen arm het gewicht leggen, dat alleen de Rots van de eeuwen vermag te dragen.
3. God bedoelde hiermede Israël te kastijden voor hun zonden. Zij deden wèl met zo'n ijver te tonen tegen de goddeloosheid van Gibea, maar waren er onder henzelf geen zonden tegen de Heere hun God? Aan hen, die ijverig zijn om de ongerechtigheden van anderen te veroordelen moeten hun eigen ongerechtigheden bekend gemaakt worden. Sommigen denken dat het een bestraffing voor hen was wegens hun niet getuigen tegen de afgoderij van Micha en de Danieten, door werke hun Godsdienst werd verdorven, zoals zij nu getuigden tegen de ongebondenheid van Gibea en de Benjaminieten, waardoor de openbare vrede werd verstoord, hoewel God hun uitdrukkelijk had geboden, om krijg te voeren tegen afgodendienaars, Deuteronomium 13:12 en verv.
4. God heeft ons hiermede willen leren het niet vreemd te achten, indien een goede zaak voor een wijle het onderspit delft, en haar niet te beoordelen naar haar succes. De belangen van de Godsdienst in de wereld en van genade in het hart kunnen tegengewerkt worden en geheel tenonder gebracht schijnen, maar ten laatste zal het oordeel uitgebracht worden ter overwinning. "Vincimur in praelio, sed non in bello" -wij delven het onderspit in een veldslag, maar niet in de gehele veldtocht. Het recht kan vallen, maar het zal wederopstaan.