Richteren 17:7-13
Wij hebben hier het bericht dat Micha zich van een Leviet voorzag om zijn kapelaan te zijn, hetzij omdat hij dacht, dat zijn zoon, die de erfgenaam was van zijn bezittingen te voornaam was voor deze dienst, of liever dat hij, omdat hij niet van Gods stam was, er niet waardig genoeg voor was.
Merk op:
I. Wat deze Leviet tot Micha bracht. Hij was van het geslacht van Juda, en woonde te Bethlehem onder de bloedverwanten van zijn moeder, (want Bethlehem was geen Levietenstad) of om een andere reden, als een vreemdeling, vers 7. Vandaar ging hij om te verblijven waar hij gelegenheid zou vinden, en op zijn reis kwam hij in het huis van Micha op het gebergte van Efraïm, vers 8.
1. Sommigen denken dat het zijn ongeluk was, dat hij in de noodzakelijkheid verkeerde van te reizen, hetzij omdat hij vervolgd en mishandeld was, of liever omdat hij veronachtzaamd was en gebrek leed te Bethlehem. God had een overvloedige voorziening gemaakt voor de Levieten, maar het volk onthield hun wat hun toekwam, en hielp hen niet aan het bezit van de hun toegewezen steden, zodat zij in bekrompen omstandigheden verkeerden, en er werd niets gedaan om hun te hulp te komen. Israëls verlaten van God begon met hun verlaten van de Levieten, waartegen zij daarom gewaarschuwd zijn, Deuteronomium 12:19. Het is een teken dat de Godsdienst in verval komt, als goede leraren veronachtzaamd worden, zodat zij niet weten hoe aan het dagelijks brood te komen. Maar:
2. Het schijnt veeleer zijn schuld geweest te zijn en zijn dwaasheid, dat hij van ronddwalen hield, de betrekking verliet, waarin hij was, en de achting verbeurde van zijn vrienden, en een zwerfzieke gezindheid hebbende heenging om, zoals wij zeggen, fortuin te zoeken. Wij kunnen ons niet voorstellen dat de zaken toen reeds zo slecht onder hen stonden dat een Leviet arm was zo dit niet zijn eigen schuld was. Gelijk diegenen gepaste voorwerpen zijn van medelijden, die zich graag zouden vestigen, maar het niet kunnen, zo behoren zij gestraft te worden, die zich zouden kunnen vestigen, maar het niet willen. Daar ongedurigheid, naar men zou denken, altijd onrust veroorzaakt, is het vreemd, dat een Israëliet, inzonderheid een Leviet, zich er aan overgeeft.
II. Welke overeenkomst Micha met hem trof. Indien hij niet tamelijk tevreden was geweest met zijn zoon tot priester te hebben, dan zou hij uitgegaan zijn om een Leviet op te sporen of iemand uitgezonden hebben om er een voor hem te zoeken, maar nu neemt hij er een, die hem als het ware toevallig in handen komt hetgeen aantoont dat hij geen zeer groter ijver had voor de zaak. Waarschijnlijk heeft deze omzwervende Leviet ergens op het land van Micha's huis gehoord, namelijk van zijn Godshuis en zijn gesneden en gegoten beeld, hetgeen, zo er iets van de geest van een Leviet in hem was, hem daarheen gevoerd zou hebben om Micha te bestraffen voor zijn afgoderij, hem te zeggen hoe dit lijnrecht in strijd was met de wet van God, en Gods oordelen over hem zou brengen. Maar, inplaats hiervan, gaat hij als een ontaarde tak van die heilige stam, er heen om zijn diensten aan te bieden, met: "Hebt gij ook enig werk voor een Leviet? want ik ben werkeloos en ik wandel om te verblijven waar ik gelegenheid zal vinden." Alles wat hij beoogde was aan brood te komen, niet om goed te doen, vers 9. Micha doet aanzoek bij hem om in zijn gezin te komen, vers 10, en belooft hem: 1. Goede bevordering. Wees mij tot een vader en een priester. Hoewel hij nog een jonge man was, en Micha hem om zo te zeggen van de straat had opgeraapt, zal hij hem toch als hij hem als priester aanneemt, eren en achten als een vader, zover is het denkbeeld van hem, om hem onder zijn dienstknechten te stellen. Hij vraagt niet naar zijn geloofsbrieven, neemt de tijd niet om een onderzoek in te stellen naar zijn gedrag, in de plaats waar hij het laatst gevestigd was, bedenkt niet dat hij, hoewel hij een Leviet was, toch iemand kon zijn van zulk een slecht karakter, dat hij de plaag en de schande is van zijn familie maar denkt dat hij, al was hij ook nog zo'n losbol, toch wel als priester bij een gesneden beeld kon dienen, zoals Jerobeams priesters "van de geringsten van het volk waren," 1 Koningen 12:31. Geen wonder dat zij, die van alles een god kunnen maken, iedereen tot een priester kunnen maken.
2. Een redelijk onderhoud. Hij zal hem eten en drinken, en een of meer stellen kleren geven, een gewoon stel voor alle dagen, en een beter stel voor feestdagen, en daarenboven tien zilverlingen (ongeveer vijftien gulden) per jaar, voor zakgeld, een karig salaris, vergeleken met wat God voor de Levieten voorzien had, mits zij zich goed gedroegen. Maar zij die de dienst van God verlaten, zullen nooit hun omstandigheden verbeteren, en ook geen beteren meester vinden. De Evangeliebediening is de mooiste roeping, maar het slechtste beroep in de wereld.
III. De vestiging van de Leviet bij hem, vers 11. Hij bewilligde bij die man te blijven hoewel zijn werk bijgelovigheid was en zijn loon schandelijk, had hij bezwaar noch tegen het een, noch tegen het ander, maar achtte zich gelukkig in zo'n goed huis te zijn aangeland. Micha, die zich heiliger achtte dan zijn naburen, neemt het op zich om deze Leviet de hand te vullen, vers 12, dat is hem tot de dienst te heiligen, alsof zijn bouwen, meubileren en begiftigen van deze kapel hem autoriseerde om niet alleen de persoon te benoemen, die er de dienst zou verrichten, maar ook hem te wijden, waartoe hij het recht niet had, evenmin als de Leviet het recht had om zich door hem te laten wijden. En nu betoont hij hem eerbied als aan een vader, en tederheid als aan een zoon, en daarmee wil hij het ongenoegzame van zijn lastbrief goed maken.
IV. Micha's voldoening met dat alles, vers 13. Nu weet ik dat de Heere mij weldoen zal, dat is: hij hoopte dat zijn nieuwe inrichting hem beroemd zou maken onder zijn naburen, en dat zou hem voordelig wezen, want hij zou delen in het profijt van het altaar, of liever dat God hem zou ondersteunen en zegenen in alles wat hij ondernam, omdat ik deze Leviet tot een priester heb.
1. Hij dacht dat het een teken was van Gods gunst jegens hem en zijn beelden, dat Hij hem zo ter gelegener tijd een Leviet gezonden had. Zo zullen zij, die zich in hun ijdele verzinselen verlustigen, indien Gods voorzienigheid hun iets ter hand doet komen dat hen voorthelpt op hun bozen weg, maar al te gemakkelijk hieruit afleiden dat God behagen in hen schept.
2. Hij dacht dat, nu de dwaling van zijn priesterschap hersteld was, alles wèl was, hoewel hij nog zijn gesneden en gegoten beeld behield. Velen vleien zich met een goede mening over hun staat, door een gedeeltelijke reformatie of verbetering van hun leven. Zij denken dat zij zo goed zijn als zij behoren te wezen, omdat zij in een bijzondere zaak niet meer zo slecht zijn als zij vroeger waren, alsof het verbeteren van een verkeerdheid een vergoeding was voor het aanhouden van al de andere. 3. Hij dacht dat het een zeer verdienstelijke daad was om een Leviet tot priester te maken, terwijl het in werkelijkheid een hoogmoedige overweldiging was, en zeer Godtergend. In hun hoogmoed, hun onwetendheid en zelfbehagen zullen de mensen de vermetelste goddeloosheid en het ergerlijkste aanranden van de Goddelijke kroonrechten, niet slechts verdedigen en verontschuldigen, maar hogelijk roemen en verheerlijken. Micha zou heel veel reden gehad hebben om te zeggen: "Nu kan ik vrezen dat God mij zal vloeken omdat ik iemand uit Zijn eigen stam heb verleid, en hem er toe gebracht heb een gesneden beeld te aanbidden, " en toch hoopt hij dat God er hem om zal weldoen.
4. Hij dacht dat een Leviet bij zich in huis te hebben hem als vanzelf recht zou geven op Gods gunst. Materieelgezinde mensen zijn maar al te zeer geneigd om op hun uitwendige voorrechten te bouwen en te vertrouwen, en tot de gevolgtrekking te komen dat God hen zeker zal weldoen, omdat zij geboren zijn uit Godvruchtige ouders, tot gezinnen behoren waarin gebeden wordt, verbonden zijn in de maatschappij met personen, die zeer Godvruchtig zijn, een goede en gezonde prediking bijwonen, terwijl dit alles slechts is als het hebben van een Leviet tot hun priester, dat volstrekt geen zekerheid geeft dat God hun zal weldoen, tenzij zij zelf Godvruchtig zijn, en van hun voorrechten een goed gebruik maken.