Richteren 15:1-8
I. Hier is Simsons terugkeer tot zijn vrouw die hij in misnoegen had verlaten, wellicht niet vernomen hebbende, dat zij aan een ander als vrouw was gegeven. Toen zijn toorn een weinig tot tot bedaren was gebracht, kwam hij tot haar terug, bezocht hij haar met een geitebokje, vers 1. De waarde van het geschenk was gering, maar het was bedoeld als een teken van verzoening, en werd misschien toen als zodanig gebruikt, als personen die een geschil met elkaar hadden, weer samen kwamen. Hij zond haar dit om er in haar vertrekken een avondmaaltijd van te houden met haar, en zij met hem, en aldus weer op goede en vertrouwelijke voet met haar te zijn. Het was edelmoedig van Simson dat hij dit deed, hoewel hij de beledigde partij was, en de meerdere, aan wie zij verplicht was om vrede te verzoeken, en zij de eerste stappen had moeten doen om een verzoening teweeg te brengen. Als er onenigheid is onder verwanten, dan moeten diegenen als de verstandigste beschouwd worden en als de beste, die het eerst bereid zijn beledigingen te vergeten en te vergeven en zich om des vredes wil neer te buigen.
II. De teleurstelling, die hij ondervond. Haar vader weigerde hem tot haar toe te laten, want waarlijk: hij had haar aan een ander uitgehuwelijkt, vers 2. Hij poogt:
1. Zich te rechtvaardigen in dit onrecht door hem begaan. Ik sprak zeker dat gij haar ganselijk haatte". Het was een zeer slechte opinie, die hij van Simson had, die nazireër afmetende naar het gewone karakter van de Filistijnen. Kon hij erger van hem denken dan te menen, dat hij, omdat hij rechtvaardiglijk vertoornd was op zijn vrouw, haar daarom ganselijk moest haten, of omdat hij reden had gevonden om voor een tijdje naar het huis van zijn vader terug te keren, hij haar daarom voor altijd wilde verlaten? Toch is dit alles wat hij ter verontschuldiging van het onrecht heeft te zeggen. Aldus gebruikte hij de zwaarste ijverzucht tot een dekmantel voor de ergerlijkste roverij. Maar het zal voor ons kwaad doen niet helpen te zeggen: Wij dachten dat anderen kwaad in de zin hadden."
2. Hij poogt Simson tevreden te stellen, door hem zijn jongere dochter aan te bieden, die Simson, naar hij dacht, wel zou aannemen, omdat zij de mooiste was, ter vergoeding van het hem aangedane onrecht. Zie welke verwarring diegenen in hun gezinnen aanrichten, die niet door de vreze Gods en door Zijn wet geregeerd en bestuurd worden, deze week een dochter ten huwelijk gevende aan de een, en in de volgende week aan een ander, eerst een dochter gevende aan een, en dan aan een andere man. Simson wees het voorstel met verachting af, hij wist beter dan om een vrouw tot haar zuster te nemen, Leviticus 18:18.
III. Simsons wraak op de Filistijnen wegens dit hem aangedane onrecht. Had hij bedoeld hierin slechts voor zijn eigen zaak op te komen hij zou zijn medeminnaar uitgedaagd hebben en alleen hem en zijn schoonvader gestraft hebben. Maar hij beschouwt zich als een openbaar persoon, en de belediging als aangedaan aan geheel het volk van Israël, want waarschijnlijk hebben zij hem die smaad aangedaan, omdat hij tot dat volk behoorde, en er genoegen in gevonden, en daarom besluit hij de Filistijnen kwaad te doen, en twijfelt er niet aan dat de behandeling, die hij van hen ondervonden heeft, er hem in zal rechtvaardigen vers 3. Ik ben ditmaal onschuldig aan de Filistijnen, wanneer ik aan hen kwaad doe. Hij had gedaan wat hem betaamde in zijn aanbod van verzoening met zijn vrouw, daar zij die verzoening echter onmogelijk heeft gemaakt, konden zij hem niet kwalijk nemen, zo hij zijn rechtmatige toorn aan de dag legde. Als geschillen ontstaan, dan behoren wij onze plicht te doen om ze te beëindigen, en dan zullen wij, welke boze gevolgen er verder uit mogen voortkomen, onberispelijk zijn. Simson manier om wraak aan hen te oefenen was hun korenvelden in brand te steken, waardoor het land erg verzwakt en verarmd zou worden, vers 4, 5.
1. De methode, die hij hiertoe aanwendde was zeer vreemd. Hij zond honderd en vijftig paar vossen, staart aan staart gebonden, in de korenvelden, ieder paar had een aangestoken fakkel tussen hun staarten, waardoor zij, verschrikt zijnde, een toevlucht zochten in de korenvelden, en er aldus de brand in staken. Op die wijze zou het vuur op vele plaatsen tegelijk uitbreken, waardoor men het niet meester kon worden, inzonderheid als het des nachts gedaan werd, hetgeen zeer waarschijnlijk is. Hij zou hiertoe mannen hebben kunnen gebruiken, maar misschien kon hij geen Israëlieten genoeg vinden, die de moed hadden om het te doen, en hij zelf kon het slechts op een plaats tegelijk doen, waardoor hij zijn doel niet kon bereiken. Nooit zien wij dat Simson voor zijn strijd gebruik maakt van mensen, hetzij dienstknecht of krijgsman, daarom verkoos hij om voor dit plan gebruik le maken van vossen als zijn brandstichters. Zij hadden Simson benadeeld door hun listen, hun slimheid en boosaardigheid, en nu vergeldt hij het hun door slimme vossen als vuurbranden te gebruiken. Door de geringheid en verachtelijkheid van de dieren, die hij gebruikte, bedoelde hij minachting te betonen aan de vijanden, tegen welke hij streed. Op deze krijgslist wordt dikwijls gezinspeeld, om te tonen hoe de tegenstanders van de kerk, die verschillende belangen en plannen hebben, en in andere opzichten geheel tegenover elkaar staan, en naar tegenovergestelde richtingen uitgaan, zich toch dikwijls verenigd hebben tot een vuurbrand in het een of ander gevloekte plan, om de kerk Gods te verwoesten, en inzonderheid om er het vuur van de verdeeldheid in te doen ontbranden.
2. Het kwaad, dat hij de Filistijnen hierdoor berokkende, was zeer groot. Het was in de tijd van de tarweoogst, vers 1, zodat het stro droog zijnde, spoedig de korenhopen in brand stak alsmede het nog staande koren en de wijngaarden en olijfbomen. Dit was een verderven van goede schepselen, maar waar andere daden van vijandschap geoorloofd zijn, wordt hier terecht ook het vernielen van voedsel toe gerekend. Als hij hun het leven mocht benemen, dan mocht hij hun ook hun levensmiddelen benemen, en God was er rechtvaardig in, het koren, en de most, en de olie, die zij voor Dagon hadden bereid als een spijsoffer voor hem, werden dus op hun tijd tot een brandoffer gemaakt aan God gerechtigheid.
IV. Het geweld van de Filistijnen tegen Simsons verraderlijke vrouw en haar vader. Vernemende dat zij Simson tot dit kwaad tegen het land hadden geprikkeld, viel het plebs op hen aan, en verbrandde hen met vuur, misschien wel in hun eigen huizen, vers 6. Simson zelf durfden zij niet aanvallen, en daarom hebben zij, met meer rechtvaardigheid wellicht dan zij er in bedoeld hebben, wraak geoefend aan hen, die, naar zij wèl moesten erkennen, hem reden hadden gegeven om vertoornd te zijn. Inplaats van wraak te doen aan Simson, doen zij wraak voor hem, toen hij in aanmerking nemende de betrekking, waarin hij tot hen gestaan had, zichzelf niet op hen wilde wreken. Zie hier de hand in van Hem, van wie de wraak is, zij, die verraderlijk handelen, met hen zal verraderlijk gehandeld worden, en de Heere is bekend geworden door dit recht, dat Hij gedaan heeft, inzonderheid wanneer Hij, zoals hier, gebruik maakt van de vijanden van Zijn volk, als werktuigen om de twist van Zijn volk aan elkaar te wreken. Als een wrede Filistijn een valser, verraderlijker Filistijn verbrandt, "dan zal de rechtvaardige zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt," Psalm 58:11, 12. Aldus `zal de grimmigheid des mensen U loffelijk maken," Psalm 76:1-1. De Filistijnen hadden Simsons huisvrouw gedreigd, haar en haars vaders huis met vuur te verbranden, Hoofdstuk 14:15, indien zij de verklaring van het raadsel niet uit hem wilde verkrijgen. Om zichzelf te redden en haar landgenoten te verplichten, verried zij haar man. En wat kwam daar nu van? Hetgeen zij vreesde, en waaraan zij door zonde zocht te ontkomen, geschiedde haar, zij en haars vaders huis werden met vuur verbrand, en het waren haar landgenoten, die zij met het onrecht, dat zij haar man aandeed, zocht te verplichten, die haar dit aandeden. Het kwaad dat wij door onwettige middelen zoeken te ontwijken, halen wij ons dikwijls zelf er mee over ons hoofd. Die aldus zijn leven zal willen behouden, zal het verliezen.
V. De gelegenheid, die Simson hieruit nam om hun nog groter kwaad te doen, en dat hun vlees en bloed raakte, vers 7, 8. "Hoewel gij hun dit gedaan hebt, en hiermede hebt getoond wat gij mij zoudt doen, zo het in uw macht was, zal mij dit niet weerhouden van u nog meer te kwellen." Of: "Hoewel gij, door dit te doen, denkt mij voldoening te hebben gegeven voor de mij aangedanen hoon, heb ik toch, als publiek persoon, nog voor Israëls zaak op te komen, en voor het onrecht, dat hun aangedaan is, ik zal mij aan u wreken, en als gij dan van uw beledigingen en onrecht aflaat, zo zal ik daarna ophouden, daar ik slechts Israëls verlossing op het oog heb." En zo sloeg hij hen de schenkel en de heup met een groten slag Wij veronderstellen dat de wonden, die hij hun toebracht, dodelijk waren, zoals wonden aan de heup of dij gewoonlijk zijn, en daarom vertalen wij het door een grote slachting. Sommigen denken dat hij hen slechts verminkte, en hen aldus ongeschikt maakte voor de krijgsdienst, zoals aan paarden de hakpees of kniepees werd doorgesneden. Het schijnt een uitdrukking te zijn, waardoor een verwoede aanval wordt aangeduid, ieder dodende, die hem voorkwam, of hij bracht hun een volkomen nederlaag toe, hij versloeg ruiters en voetknechten. Hij sloeg hen met al de kracht, die hij had, niet in zijn armen en handen maar in zijn heupen en dijen, hen schoppende en trappende, en hen aldus vernederende, "hij trad hen in zijn toorn en vertrapte hen in zijn grimmigheid," Jesaja 63:3. En toen hij dit gedaan had, trok hij zich terug in een natuurlijke vesting, op de hoogte van de rots Etam, waar hij wachtte om te zien of de Filistijnen door zijn tuchtiging gedwee waren geworden.