Richteren 10:6-9
Terwijl de twee richters, Thola en Jaïr, de zaken van Israël bestuurden, ging alles goed, maar daarna:
I. Keerde Israël terug tot hun afgoderij, de zonde, die hen het meest lichtelijk omringde, vers 6. Zij voeren voort te doen dat kwaad was in de ogen des Heeren, van wie zij op onverklaarbare wijze geneigd waren af te vallen, als een dwaas en onwijs volk.
1. Zij dienden vele goden, niet slechts hun oude demonen, de Baäls en Astaroth, die door de Kanaänieten werden aangebeden, maar, alsof zij hun dwaasheid aan al de naburige volken bekend wilden maken, dienden zij ook de goden van Syrië, Sidon, Moab, Ammon en de Filistijnen. Het is alsof de voornaamste handel van Israël bestond in de invoer van goden uit alle landen. Het is moeilijk te zeggen of dit meer goddeloos of meer onstaatkundig van hen was. Door deze vreemde godheden in te voeren, maakten zij zich gering en verachtelijk, want geen volk, dat eergevoel had, veranderde zijn goden. Wij kunnen veronderstellen, dat veel van Israëls rijkdom naar buiten ging in offeranden aan de tempels van de godheden van de verschillende landen, vanwaar zij kwamen, van welken, als de moederkerken de tempels, die hun in Israël gewijd waren, zich afhankelijk moesten erkennen. De priesters van deze armzalige goden hebben hen ongetwijfeld in menigte gevolgd naar het land van Israël en, als zij in hun eigen land niet konden leven, hebben zij zich hier gevestigd, en aldus verteerden vreemden hun kracht. Indien zij het deden uit beleefdheid voor de naburige volken, en om zich aangenaam bij hen te maken, dan zijn zij terecht hierin teleurgesteld, want die volken, welke zij door hun goddeloze kunstgrepen tot hun vrienden zochten te maken, zijn door het rechtvaardig oordeel Gods hun vijanden en verdrukkers geworden. "In quo quis peccat in eo punitur-In hetgeen iemand zondigt zal hij gestraft worden."
2. Zij hebben niet eens de God Israëls onder de vele goden, die zij dienden, toegelaten, maar hebben Hem geheel verworpen, zij verlieten de Heere en dienden Hem in het geheel niet. Zij, die denken God en de mammon te kunnen dienen, zullen er spoedig toe komen om God geheel te verlaten, en de mammon alleen te dienen. Als God niet het gehele hart heeft, dan zal Hij er weldra in het geheel niets van hebben.
II. God vernieuwde Zijn oordelen onder hen, door hen onder de macht te brengen van verdrukkende vijanden. Indien zij onmiddellijk in de hand des Heeren waren gevallen, zij zouden bevonden hebben dat Zijn barmhartigheden vele zijn, maar God liet hen in de hand van mensen vallen, wier barmhartigheden wreed zijn. Hij verkocht hen in de hand van de Filistijnen, die ten zuidwesten van Kanaän woonden, en in de hand van de kinderen Ammons die ten noord-oosten van hen lagen, en wel in die van beide tegelijk, zodat zij tussen deze molenstenen ellendig verpletterd werden zoals in vers 8 het oorspronkelijke woord voor verdrukt is. God had geboden dat, zo een van de steden Israëls tot afgoderij zou vervallen, de overigen er strijd tegen moesten voeren om de inwoners van die stad te slaan met de scherpte des zwaards, Deuteronomium 13:12 en verv. Zij waren voor deze zaak ijverig genoeg geweest, ijverig bijna tot het uiterste, in het geval van het altaar, dat door de twee en een halve stam was opgericht, Jozua 22, maar nu waren zij zo verdorven dat, als een stad met afgoderij was besmet, de overigen er zich ook door lieten besmetten, en inplaats van haar te straffen volgden zij haar na, ja gingen er nog verder in, en daar nu zij, die de wrekers hadden moeten zijn tot straf van degenen die dit kwaad deden, zelf schuldig waren, of het zwaard tevergeefs droegen, heeft God de naburige volken over hen doen komen om hen te straffen voor hun afval.
De verdrukking van Israël door de Ammonieten, de nakomelingen van Lot, duurde:
1. Zeer lang, achttien jaren hield zij aan. Sommigen denken dat die jaren nog onder het richterschap van Jaïr vielen, die er niet in slaagde, om Israël te hervormen en te verlossen, zoals hij gewenst zou hebben. Anderen denken dat zij begonnen bij de dood van Jaïr, dat waarschijnlijker is, omdat het deel van Israël, dat het meest verontrust werd door de Ammonieten, Gilead, Jaïrs eigen land was, dat wij niet kunnen veronderstellen zoveel geleden te hebben zolang hij leefde, maar dat dit deel van het land toen tenminste hervormd en beschermd was.
2. Zeer zwaar, zij kwelden en verdrukten hen. Het was zeer grievend om verdekt te worden door zo verachtelijk een volk als de kinderen Ammons waren. Zij begonnen met de stammen, aan de andere kant van de Jordaan, die het dichtst bij hen waren, hier het land van de Amorieten genoemd, vers 8, omdat de Israëlieten zo ellendig ontaard waren, en zich zo gelijkvormig hadden gemaakt aan de heidenen dat zij in zekere zin volkomen Amorieten waren, Ezechiël 16:3. Of, omdat zij door hun zonde hun recht op dit land hadden verbeurd zodat het met recht weer als het land van de Amorieten kon worden beschouwd, van wie zij het genomen hadden. Maar langzamerhand drongen zij voorwaarts, kwamen over de Jordaan en vielen in Juda, Benjamin en Efraïm, vers 9, drie van de beroemdste stammen van Israël, die toch aldus door hen gehoond werden, toen zij God hadden verlaten, en niet instaat waren de indringer het hoofd te bieden. Nu was de bedreiging vervuld, dat zij "geslagen zouden worden voor het aangezicht van hun vijanden en voor hun aangezicht niet zouden kunnen bestaan," Leviticus 26:17, 37. Hun weg en hun handelingen hebben hun deze dingen gedaan, zij zijn droevig ontaard, en zo zijn zij in grote benauwdheid gekomen, zij waren zeer bang.