Jozua 22:1-9
De strijd geëindigd, en wel zeer glorierijk geëindigd zijnde handelt Jozua als een verstandig generaal en ontbindt zijn leger, dat nooit bestemd was om de oorlog tot zijn beroep te maken. Hij zendt hen terug naar hun haardsteden om te genieten wat zij veroverd hadden, en hun zwaarden tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen te slaan, en inzonderheid de krijgsmacht van de afgezonderde stammen, die hun erfdeel van Mozes aan de andere kant van de Jordaan hadden ontvangen op voorwaarde dat hun krijgslieden de andere stammen zouden helpen bij de verovering van Kanaän, hetgeen zij beloofd hadden te zullen doen, Numeri 32:32, en die belofte bij de opening van de veldtocht aan Jozua hadden vernieuwd Jozua 1:16. En nu zij hun afspraak hadden gehouden, geeft Jozua hun openlijk en plechtig hun ontslag te Silo. Of dit nu, zoals sommigen denken, geschied is, zoals het hier voorkomt, na de verdeling van het land, of wel, zoals anderen denken, nadat de oorlog geëindigd was, en voor de verdeling van het land omdat hun hulp wel nodig was voor de verovering, maar niet voor de verdeling van het land, en er ook niemand uit hun stammen daarbij als commissaris gefungeerd heeft (alleen mannen uit de tien andere stammen) Numeri 34:18. en verv. dat is zeker, het geschiedde niet voordat Silo tot het hoofdkwartier was gemaakt, vers 2, en het land is begonnen verdeeld te worden, eer zij van Gilgal waren vertrokken, Hoofdstuk 14:6.
Het is waarschijnlijk dat dit leger van Rubenieten en Gadieten, of tenminste sommigen er van, dat in al de oorlogen van Kanaän de voorhoede had aangevoerd, soms in tussenpozen van de oorlog, en als de rest van het leger de winterkwartieren had betrokken, eens over de Jordaan zijn gegaan-want de afstand was niet groot-om hun gezin te bezoeken, naar hun eigen zaken om te zien, en wellicht wel thuis zijn gebleven, anderen in hun plaats zendende, die nog meer diensten konden bewijzen. Maar toch bleef het contingent van deze twee en een halven stam voltallig, in het geheel veertig duizend man, en wanneer het ook nodig was, begaven deze troepen zich naar hun post, en nu waren zij allen bijeen om hun ontslag te ontvangen. Hoewel het niet anders kon, of de liefde voor hun gezin en de zorg voor hun zaken moest hen na zo langdurige afwezigheid zeer begerig maken om terug te keren, wilden zij toch als goede krijgsknechten niet heengaan, voor zij er verlof toe hadden van hun generaal. En zo moeten wij (het is bisschop Hall's opmerking) al is het huis onzes hemelsen Vaders hierboven ook nog zo begeerlijk, toch op aarde blijven, totdat onze strijd vervuld is, moeten wij wachten, totdat wij behoorlijk ontslagen worden, en het ogenblik van ons heengaan niet willen verhaasten.
I. Jozua zendt hen heen naar het land van hun bezitting, vers 4. Zij, die de eersten waren om zich hun lot aangewezen te zien, waren de laatsten om er het bezit van te genieten. Zij waren hun broederen voor in recht van bezit, maar hun broederen waren hen voor in het volkomen bezit en genot er van, zo zullen de laatste de eersten wezen, en de eersten de laatsten, opdat er enige gelijkheid zij.
II. Hij zendt hen weg met hun soldij immers: Wie dient ooit in het leger op eigen bezolding? vers 8. Keert weer tot uw tenten met veel rijkdom. Hoewel al het land dat zij hielpen veroveren aan de andere stammen ten deel viel, moesten zij toch hun deel hebben van de buit, en dat was al de bezolding, die de krijgslieden verwachtten, want de oorlogen van Kanaän moesten zichzelf bekostigen "Gaat heen", zegt Jozua, "naar uw tenten", dat is "naar uw huizen", die hij tenten noemt omdat zij in de woestijn zo lang aan tenten gewoon zijn geweest, en de hechtste en statigste huizen in deze wereld moeten inderdaad slechts als tenten beschouwd worden, armoedig en beweeglijk, in vergelijking met ons huis hierboven. "Gaat naar huis met veel rijkdom, niet slechts vee, de roof van het land, maar zilver en goud, de roof van de steden" en:
1. Laat uw broederen die gij achterlaat uw goed woord hebben, die u ten volle in de buit hebben doen delen, al moet ook het land geheel en al hun toebehoren, en niet gepoogd hebben iets van u terug te houden of u iets van de buit te betwisten. Zegt niet dat gij iets door ons zijt tekort gekomen."
2. "Laat uw broederen, tot wie gij heengaat, die bij het gereedschap zijn gebleven, enig deel hebben van de buit, deelt de roof van uw vijanden met uw broederen, zoals de buit verdeeld werd, die in de oorlog met Midian genomen was, Numeri 31:27. Laat uw broederen, die u al die tijd hebben moeten missen er te beter om varen dat gij tehuis gekomen zijt.
III. Hij zendt hen weg met een zeer loffelijk getuigenis. Hoewel zij hun dienst verschuldigd waren, ter vervulling van hun belofte, en zij niets meer gedaan hadden dan hun plicht, heeft hij hen toch hogelijk geprezen om hun goede diensten. Hoewel het door de gunst en de macht van God was, dat Israël bezit had gekregen van dit land, en Hij er al de eer voor moet ontvangen dacht Jozua toch dat er een dankbare erkenning verschuldigd was aan hun broederen, die hen hadden geholpen, wier zwaard en boog in hun dienst werden gebruikt. In onze lof moet ons oog bovenal op God gericht zijn, maar de werktuigen, die Hij heeft gebruikt, moeten toch niet voorbij worden gezien. Hier prijst hij hen:
1. Voor hun gerede gehoorzaamheid aan hun bevelhebbers, vers 2. Toen Mozes was heengegaan, gedachten zij aan de last, die hij hun had gegeven, en kwamen die na, en al de orders, die Jozua, als generaal van de strijdmacht, had uitgevaardigd, hadden zij stipt gehoorzaamd, zij gingen, en kwamen, en deden wat hij gebood, Mattheus 8:9. Het is de krijgsman tot lof, om op het woord van bevel acht te geven.
2. Voor de standvastigheid van hun genegenheid voor, en aanhankelijkheid aan hun broederen. Gij hebt uw broederen niet verlaten na lange tijd. Hoeveel tijd het was, zegt hij niet, en wij kunnen dit ook uit geen Schriftuurplaats met zekerheid te weten komen. Calvisius en anderen van de beste tijdrekenkundigen berekenen dat de verovering en de verdeling van het land een werk was, dat zes of zeven jaren in beslag heeft genomen, en gedurende al die tijd bleven de afgezonderde stammen bij hun leger, en hebben zij hen naar hun beste weten en met kracht gediend. Het zal de eer zijn van hen, die de zaak van Gods Israël hebben omhelsd, en hun belangen aan hen verbonden hebben, om hen te blijven aanhangen, hen nooit te verlaten voordat God hun rust heeft gegeven, en dan zullen zij met hen rusten.
3. Om de getrouwheid van hun gehoorzaamheid aan de Goddelijke wet Zij hadden niet slechts hun plicht gedaan jegens Jozua en Israël maar, hetgeen het beste van alles was, zij hadden nauwgezet hun plicht vervuld jegens God. Gij hebt waargenomen de onderhouding van de geboden des Heeren, uws Gods, dat is: Gij hebt zorgvuldig en met omzichtigheid de geboden des Heeren uws Gods gehouden, niet alleen in deze bijzondere aangelegenheid van in dienst van Israël te blijven tot aan het einde van de strijd, maar in het algemeen: gij hebt in uw afdeling van het leger de Godsdienst hoog in eer gehouden, een zeldzame, maar voortreffelijke zaak onder krijgslieden, en waar zij bestaat, wèl waardig om geprezen te worden. IV. Hij zendt hen heen met goeden raad: niet om hun land te bebouwen, hun steden te versterken, en, nu hun handen gewend waren aan krijg en overwinning, hun naburen aan te vallen, en aldus hun eigen grondgebied te vergroten, maar om ernstige Godsvrucht onder elkaar te onderhouden. Het ware geen staatkundige, maar Godvruchtige instructies, die hij hun meegaf, vers 5, bestaande in het algemeen hierin: Neemt naarstiglijk waar te doen het gebod en de wet. Zij, die het gebod "hebben," hebben het tevergeefs, tenzij zij het gebod "doen," en het zal niet goed en recht gedaan worden, (zo geneigd zijn wij om af te wijken, en zo ijverig zijn onze geestelijke vijanden om ons te doen afwijken) tenzij wij naarstiglijk waarnemen om het te doen. In het bijzonder: "de Heere onze God lief te hebben" als het beste van alle wezens, en de besten Vriend, en als dat beginsel heerst in ons hart, de beweeggrond is van onze daden, dan zal er een voortdurende zorg en een oprecht streven zijn om "te wandelen in al zijn wegen," zelfs in die welke nauw zijn en bergopwaarts lopen en dan ook in iedere omstandigheid Zijn geboden te houden, ten allen tijde en in alle levensomstandigheden met een vast voornemen des harten Hem aan te hangen, Hem en Zijn eer te dienen en de belangen van Zijn koninkrijk onder de mensen met ons gehele hart en onze gehele ziel. Want de goede raad hun gegeven, is gegeven aan ons allen, God schenke ons de genade om hem ter harte te nemen en er naar te doen!
V. Hij zendt hen weg met een zegen, vers 6. Inzonderheid de halven stam van Manasse waaraan Jozua, als Efraïmiet, enigszins nader verwant was dan aan de andere twee, en die wellicht meer ongaarne heengingen, omdat zij de helft van hun stam achterlieten, en daarom dikwijls vaarwel zeggende en enigszins dralende om heen te gaan, nogmaals hun afscheid en een zegen ontvingen, vers 7. Jozua bad niet slechts voor hen als een vriend, maar zegende hen als een vader in de naam des Heeren, hen, hun gezin en hun zaken van de genade Gods aanbevelende. Sommigen verstaan onder de zegen, die Jozua hun gaf, geschenken,. die hij hun vereerde ter beloning van, hun diensten. Daar echter Jozua een profeet was en hun een deel van eens profeten loon had gegeven in de instructies die hij hun gaf, vers 5, zo hebben wij dit ongetwijfeld te verstaan van het andere deel, evenals ook de gebeden, die hij voor hen gedaan heeft, als iemand met gezag bekleed, en als de stedehouder Gods.
Aldus ontslagen zijnde, keerden zij gezamenlijk terug naar het land van hun bezitting, vers 9, waarschijnlijk zijn zij in veerboten over de Jordaan gegaan. Hoewel hoofden van huisgezinnen soms afwezig moeten wezen van hun gezin, en dat wel voor lange tijd, behoren zij toch, als hun zaken in de vreemde afgedaan zijn, te gedenken, dat thuis hun plaats is, waaruit zij niet moeten omdolen als een vogel uit zijn nest.