Numeri 7:10-88
Wij hebben hier een bericht van de grote plechtigheid van de inwijding van het altaar, beide van het brandofferaltaar en van het reukaltaar, zij waren tevoren geheiligd, toen zij gezalfd werden, Leviticus 8:10, 11, maar nu werden zij voor het eerst gebruikt door de oversten met hun vrijwillige offeranden. Zij wijdden het gebruik er van in met rijke geschenken, uitdrukkingen van grote vreugde en blijdschap, en diepe eerbied voor deze tekenen van Gods tegenwoordigheid onder hen. Merk hier nu op:
I. Dat de oversten, de aanzienlijken, de eersten en de ijverigsten waren in de dienst van God. Zij, die recht hebben op de voorrang, moeten voorgaan in goede werken, en dat is ware eer. Hier is een voorbeeld voor de adel, voor hen die met gezag zijn bekleed en van de eerste rang zijn in hun land, zij behoren hun macht en aanzien, hun goederen en hun invloed te gebruiken ter bevordering van de Godsdienst en de dienst van God in de plaatsen waar zij wonen. Er wordt met recht verwacht dat zij, die meer hebben dan anderen, meer goed zullen doen dan anderen met hetgeen zij hebben, want anders zijn zij ontrouwe rentmeesters en zullen van hun rentmeesterschap niet met blijdschap rekenschap kunnen afleggen. Ja meer: grote en aanzienlijke mannen moeten niet slechts met hun rijkdom en macht hen, die God dienen, ondersteunen en beschermen, zij moeten ook zelf Godvruchtig zijn, werken van de Godsvrucht doen ter ere van God, Psalm 138:4, 5 en een goede invloed hebben op anderen, die te eerder bewogen kunnen worden tot daden van Godsvrucht, als zij die dus in ere zien gebracht. Zeker is het, dat de aanzienlijkste van de mensen minder is dan de minste van de inzettingen Gods, en dat de geringste diensten van de Godsdienst geen verkleining zijn voor hen, die het grootste aanzien in de wereld hebben.
II. De offeranden, die zij brachten, waren zeer rijk en kostbaar, zó rijk dat sommigen denken, dat het verschil in vermogen en bezitting tussen hen en anderen, niet zo groot was, dat zij alleen de onkosten er van konden dragen, maar dat de hoofden van elke stam bijgedragen hebben tot de geschenken, die hun oversten brachten.
1. Zij brachten sommige dingen, die tot blijvende dienst bestemd waren, twaalf grote zilveren schotels, ieder van ongeveer zestig ons gewichts, evenveel zilveren sprengbekkens van omstreeks vijf en dertig ons, de eersten werden gebruikt voor het spijsoffer, de laatsten voor de drankoffers, de eersten voor het vlees van de offers, de laatsten voor het bloed. Dat laatste was, als het ware, Gods tafel, en het betaamde dat zo groot een Koning in zilver servies bediend werd. De gouden reukschalen, gevuld met reukwerk, waren waarschijnlijk bestemd voor de dienst van het gouden altaar, want beide altaren waren gelijktijdig gezalfd. Voor werken van Godsvrucht en barmhartigheid behoren wij, naar vermogen, vrijgevig te zijn. De Israëlieten waren ook wel instaat om een ruim deel van hun goud en zilver af te staan ten dienste van het heiligdom, want zij hadden het niet nodig om er spijs voor te kopen en hun leger te provianderen, daar zij dagelijks gevoed werden met brood uit de hemel, en evenmin hadden zij het nodig om land te kopen of hun leger te betalen, daar zij weldra in het bezit van Kanaän gesteld zullen worden.
2. Zij brachten sommige dingen tot dadelijk gebruik, offers van iedere soort, brandoffers, zondoffers, en zeer veel dankoffers, (op een gedeelte waarvan zij hun vrienden gingen onthalen) en spijsoffers, die daaraan toegevoegd werden. Hiermede gaven zij hun dankbare aanneming te kennen van, en hun blijmoedige onderwerping aan, al de wetten betreffende de offeranden, die God hun kort tevoren door Mozes had overgeleverd. En hoewel het een tijd was van vreugde en verheuging, is het toch opmerkelijk dat wij in het midden van hun offeranden nog een zondoffer vinden, daar wij ook bij onze beste diensten ons bewust zijn, dat er een mengsel zonde in is, het is voegzaam dat er ook in onze meest vreugdevolle diensten een mengsel van berouw is. Bij al ons naderen tot God moeten wij door het geloof het oog hebben op Christus als het grote zondoffer, en melding van Hem maken.
3. Zij brachten hun offeranden ieder op een dag, naar de orde, waarin zij nu onlangs gerangschikt waren, zodat die plechtigheid twaalf dagen heeft geduurd. Zo had God het bevolen vers 11. Elke overste zal, een ieder op zijn dag, zijn offerande offeren, en zo deden zij. Een sabbat moet in die twaalf dagen vallen, indien niet twee, want het was heilig werk, zeer geschikt om op een heilige dag gedaan te worden.
a. Opdat de plechtigheid verlengd zou worden, en er dus door geheel Israël kennis van zou worden genomen, en de herinnering er van beter bewaard zou blijven.
b. Dat aldus aan iedere stam gelijke eer zou wedervaren, op Aärons borstlap hadden zij ieder een edelgesteente, en zo hadden zij bij deze offeranden ieder hun dag.
c. Op die wijze zou alles met meer betamelijkheid gedaan worden, bij het doen van Gods werk moet geen verwarring, geen onordelijkheid zijn en geen overhaasting, neem de tijd, en het werk zal zoveel spoediger gedaan zijn, of tenminste zal het zoveel beter gedaan zijn.
d. God heeft hiermede te kennen gegeven hoeveel welbehagen Hij heeft, en hoeveel welbehagen wij moeten hebben, in de oefening van de Godsvrucht. De herhaling er van moet ons een voortdurend genot zijn, en wij moeten niet vertragen in goed doen. Als twaalf dagen lang buitengewone diensten gedaan moeten worden, dan moeten wij daar niet voor terugdeinzen, het geen zware taak of last noemen.
e. Daar de priesters en Levieten deze gelegenheid hadden om dezelfde offeranden te offeren, en dat wel sommige van iedere soort, en gedurende zovele dagen, zullen zij zeer bedreven worden in het werk en goed op de hoogte komen van de desbetreffende wetten.
f. De dankoffers moesten allen op dezelfde dag gegeten worden als zij geofferd, en twee ossen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammeren waren voldoende voor de feestmaaltijd van een dag, ware er meer geweest, inzonderheid indien alles op een dag gebracht was, dan zou er gevaar zijn van overdaad. De deugd van de matigheid mag niet veronachtzaamd worden onder voorwendsel van Godsdienstige feestviering.
4. Al hun offeranden waren volkomen aan elkaar gelijk, hoewel het waarschijnlijk is dat noch de oversten, noch de stammen allen even rijk waren, maar aldus werd te kennen gegeven, dat al de stammen Israëls een gelijk deel hadden in het altaar, en eenzelfde belang bij de offeranden, die er op gebracht werden. Hoewel een stam meer eervol geplaatst was in het leger dan een andere stam, waren hun diensten toch allen even welbehaaglijk aan God, en wij moeten ook het geloof van onze Heere Jezus niet hebben met aanneming des persoons, Jakobus 2:1.
5. Nahesson, de overste van de stam van Juda, offerde het eerst, omdat God aan die stam de eerste plaats van eer in het leger gegeven heeft, en de overige stammen berustten er in, en offerden naar dezelfde volgorde, als die welke God voor hun legering had verordineerd. Juda uit welke stam Christus gesproten zal zijn, eerst, en dan de overige. Zo wordt in de toewijding van onze zielen aan God, een ieder in zijn eigen orde voorgesteld, de eersteling, Christus, 1 Corinthiërs 15:23. Sommigen merken op dat Nahesson de enige is, die niet uitdrukkelijk overste of vorst wordt genoemd, vers 12, opdat hij niet opgeblazen zou worden, omdat hij het eerst offerde, en alle de anderen worden oversten of vorsten genoemd, omdat zij, hoewel sommigen van hen uit een ouder huis waren, zich onderwierpen en na hem offerden. Of wel, omdat de titel van vorst van Juda meer eigenlijk behoorde aan Christus, want "Hem" "zullen de volken gehoorzaam zijn," Genesis 49:10.
6. Hoewel zij allen dezelfde offeranden brachten, wordt het bericht er van telkens uitvoerig en in dezelfde woorden vermeld. Wij houden er ons van verzekerd, dat er geen ijdele herhalingen zijn in de Schrift, wat zullen wij dan van deze herhaling zeggen? Zou het niet volstaan hebben te zeggen, dat al die oversten ieder op zijn dag dezelfde offerande gebracht heeft? Neen, God wilde het voor iedere stam in bijzonderheden vermeld hebben. En waarom?
a. Ter aanmoediging van deze oversten en hun respectievelijke stammen, opdat van ieder de offerande uitvoerig vermeld zijnde, geen schijn van geringschatting er op geworpen zou worden, want rijken en armen ontmoeten elkaar voor God.
b. Ter aanmoediging van alle grootmoedige daden van Godsvrucht en barmhartigheid, door ons te doen weten, dat hetgeen gegeven wordt geleend is aan de Heere, dat Hij er zorgvuldig aantekening van houdt, met de naam van de gever bij iedere gave, omdat Hij wat aldus gegeven wordt terug zal geven, en dat zelfs "een beker koud waters" "zijn loon zal ontvangen." Hij is niet onrechtvaardig dat Hij, hetzij de kosten, of "de arbeid van de liefde zou vergeten," Hebreeën 6:10. Wij bevinden dat Christus zeer bijzonder nota neemt van hetgeen in de schatkist werd geworpen, Markus 12:41. Al is wat geofferd wordt ook slechts weinig maar naar ons vermogen, en al is het ook een bijdrage gemengd met de liefdegaven van anderen, toch zal het vermeld worden, opdat het worde vergolden in de opstanding van de rechtvaardigen.
7. Aan de voet van de rekening wordt het gehele bedrag opgegeven, vers 84-88, om te tonen hoe groot een welbehagen God had in de vermelding van de vrijwillige offeranden, en hoe groot het volle bedrag was nadat ieder overste zijn bijdrage had gegeven! Hoe grotelijks zou het heiligdom Gods verrijkt en versierd worden, indien ieder in zijn eigen plaats het zijne er toe bijbracht door voorbeeldige reinheid en Godsvrucht ruime liefdegaven en algemene dienstvaardigheid!
8. God heeft genadiglijk Zijn welbehagen te kennen gegeven in deze geschenken, die tot Hem gebracht waren, door van het verzoendeksel op gemeenzame wijze te spreken met Mozes, zoals een man spreekt tot zijn vriend, vers 89, Hoofdstuk 12:18- en tot hem sprekende heeft Hij daardoor tot geheel Israël gesproken, hun dit teken ten goede tonende, Psalm 103:7. Hieraan kunnen wij weten dat God onze gebeden hoort en aanneemt, als Hij ons genade geeft om Zijn woord te horen en aan te nemen, want aldus wordt onze gemeenschap met Hem onderhouden. Ik weet niet waarom wij niet zouden mogen aannemen, dat Mozes op ieder van de dagen dat de offeranden gebracht werden terwijl de priesters hun maaltijd deden van het dankoffer, in de tabernakel was, en sommigen van de wetten ontving, die wij reeds ontmoet hebben in dit en het vorige boek. De uitnemende bisschop Patrick merkt hier op, dat Gods spreken tot Mozes in een hoorbare stem, alsof Hij met een lichaam ware bekleed, beschouwd kan worden als een voorsmaak van de vleeswording van de Zoon van God in de volheid van de tijd, wanneer het Woord vlees zal geworden zijn en in de taal van de kinderen van de mensen zal spreken. Want hoe God ook voortijds vele malen en op velerlei wijze gesproken heeft tot de vaderen, in deze laatste dagen heeft Hij tot ons gesproken door de Zoon. En dat Hij, die toen, als de Shechina of Goddelijke Majesteit, tot Mozes sprak van tussen de cherubim, het Eeuwige Woord was, de tweede Persoon in de Goddelijke Drieëenheid, was de vrome gissing van velen van de ouden, want alle gemeenschapsoefening van God met de mens is door Zijn Zoon, door wie Hij de wereld heeft gemaakt en de kerk regeert, en die dezelfde is gisteren, en heden, en in van de eeuwigheid.