Numeri 3:40-51
Hier wordt de ruil van de Levieten voor hun eerstgeborenen bewerkstelligd.
1. De eerstgeborenen werden geteld van een maand oud en daarboven, vers 42, 43. Diegenen werden voorzeker niet meegerekend, die wel eerstgeborenen waren, maar zelf tot hoofden van gezinnen waren geworden, maar alleen diegenen, die nog onder de jaren waren, en de geleerde bisschop Patrick is beslist van mening dat er geen anderen geteld werden dan alleen die, welke sedert hun uittocht uit Egypte geboren waren, toen de eerstgeborenen geheiligd werden, Exodus 13:2. Als er 22000 mannelijke eerstgeborenen waren, dan kunnen wij veronderstellen, dat er evenveel vrouwelijke waren, en die allen voortgebracht in het eerste jaar nadat zij uit Egypte getogen waren. Hieruit moeten wij afleiden dat er in het laatste jaar van hun dienstbaarheid, zelfs toen hun nood op het hoogst was geklommen, toch vele huwelijken onder de Israëlieten gesloten werden, zij waren niet ontmoedigd door de benauwdheid, waarin zij zich bevonden, maar huwden in het geloof, verwachtende dat God hen weldra bezoeken zou in genade, en dat hun kinderen, hoewel in slavernij geboren, in vrijheid en eer zouden leven. En het was een teken ten goede voor hen, en een bewijs dat zij door de Heere gezegend waren, dat zij niet slechts in het leven waren gebleven, maar grotelijks waren vermenigvuldigd in een woeste dorre wildernis.
2. Door een bijzondere leiding van Gods voorzienigheid woog het getal van de eerstgeborenen en dat van de Levieten tamelijk tegen elkaar op. Aldus heeft Hij, "toen Hij de volken de erfenis uitdeelde, de" "landpalen van de volken gesteld naar het getal van de kinderen" "Israëls," Deuteronomium 32:8. Gode zijn al Zijn werken tevoren bekend, en er is een juiste evenredigheid tussen die werken, en dat zal blijken als zij met elkaar vergeleken worden. Er wordt gezegd dat de beesten van de Levieten genomen zullen worden inplaats van alle eerstgeborenen onder de beesten van de kinderen Israëls, dat is: de Levieten waren met al hun bezittingen aan God gewijd inplaats van de eerstgeborenen en al het hun, want als wij ons aan God geven, dan geven wij ons aan Hem met alles wat wij hebben en zijn, daar wij het alles eerst van Zijn genade hebben ontvangen.
3. Het kleine getal van de eerstgeborenen, dat het getal van de Levieten overtrof, ten bedrage van 273, moest gelost worden, naar rato van vijf sikkels per hoofd, en het losgeld aan Aäron worden gegeven, want daar de Levieten hem gegeven waren, kwam hem ook dit losgeld toe. Bij de ruil zijn zij waarschijnlijk begonnen met de oudsten van de eerstgeborenen, en zo afwaarts, zodat diegenen met geld gelost moesten worden, die de 273 jongsten van de eerstgeborenen waren, dit is meer waarschijnlijk, dan dat het door het lot werd beslist of dat het geld uit de openbare middelen betaald werd. De kerk wordt de gemeente van de eerstgeborenen genoemd, die verlost werd, niet zoals zij, met zilver en goud, maar door de zonde aan de gerechtigheid Gods gewijd zijnde, door het dierbaar bloed van de Zoon van God.