Numeri 29:12-22
Kort na de verzoendag, de dag waarop de mensen hun zielen moesten verootmoedigen, volgde het feest van de loofhutten, waarop zij zich voor het aangezicht des Heeren moesten verblijden, want die met tranen zaaien, zullen weldra met gejuich maaien. Aan de vorige wetten betreffende dit feest, die wij hadden in Leviticus 23:34 en verv. zijn hier nog aanwijzingen toegevoegd nopens de vuuroffers, die zij gedurende de zeven dagen van dat feest de Heere moesten offeren, Leviticus 23:36.
Merk hier op:
1. Hun dagen van blijdschap en verheuging moesten dagen zijn van offeranden. Een blijmoedige stemming doet ons geen kwaad, en is geen kwaad teken, als die stemming ons niet ongeschikt maakt voor de plichten van de onmiddellijke dienst van God, maar veeleer ons hart er toe aanspoort en verruimt.
2. Al de dagen van hun wonen in loofhutten moesten zij offeranden offeren. Zolang wij nog hier in de tabernakelstaat zijn, is het ons belang en onze plicht, om voortdurend gemeenschap te onderhouden met God, ook zal het onzekere, het onvaste, van onze toestand ons niet verontschuldigen, als wij de plichten van Gods eredienst veronachtzamen.
3. De offeranden van al die zeven dagen worden, hoewel zij in niets verschilden dan in het getal van de varren, allen afzonderlijk voorgeschreven, hetgeen toch geen ijdele herhaling is, want God wilde hen leren zeer nauwkeurig te zijn in het waarnemen van deze diensten, en in het werk van elke dag het oog van het geloof op de inzetting gericht te houden. Evenzo wordt er door te kennen gegeven dat de herhaling van dezelfde diensten, indien zij verricht worden met een oprecht hart en met het gestadige vuur van Godvruchtige liefde, voor God geen vermoeienis is, en daarom moeten wij er ons ook niet aan ergeren, en zeggen: zie wat een vermoeidheid!
4. Het aantal varren (die het kostbaarste waren van het offer) werd met iedere dag minder. Op de eerste dag van het feest moesten zij er dertien offeren, op de tweede dag slechts twaalf, op de derde dag elf enz, zodat zij op de zevende dag zeven offerden. En hoewel de laatste dag de grote dag was van het feest en met een heilige samenroeping werd gevierd, moesten zij toch slechts één var offeren, en terwijl zij op al de andere dagen twee rammen en veertien lammeren offerden, offerden zij op die dag slechts één ram en zeven lammeren. Zo was het de wil van de wetgever, en dat is reden genoeg voor de wet. Sommigen opperen het denkbeeld dat God hierin de zwakheid aanzag van het vlees, dat geneigd is over de onkosten te morren van de Godsdienst, daarom wordt bevolen dat die al minder en minder moeten worden, opdat zij niet zouden klagen, dat God "hen" "deed dienen met spijsoffer" Jesaja 43:23. Of wel, er wordt hun hiermede te kennen gegeven, dat de bedeling van de wet zal verouden, en ten laatste verdwijnen, en de menigte van hun offers eindigen zal in een groot offer, oneindig kostelijker dan die allen. Het was op de laatste dag van het feest, nadat al die offers geofferd waren, dat onze Heere Jezus stond en riep tot hen, die nog dorstten naar de gerechtigheid, (zich bewust zijnde van de ongenoegzaamheid van deze offers om hen te rechtvaardigen)" tot Hem te komen en te" "drinken", Johannes 7:37.
5. De spijsoffers en drankoffers vergezelden al die offers naar hun getal en naar de wijze. Al is er nog zoveel vlees, is er toch geen maaltijd zonder brood en drank, daarom moeten die nooit weggelaten worden van Gods altaar, dat Zijn tafel was. Wij moeten niet denken dat veel doen in de Godsdienst Gode welbehaaglijk zal zijn, zo wij het niet goed doen en naar de door God bepaalde wijze.
6. Op elke dag moet er een zondoffer zijn, zoals op andere feesten. Onze brandofferen des lofs kunnen Gode niet welbehaaglijk zijn, tenzij wij deel hebben aan het grote zoenoffer door Christus geofferd, toen Hij zich voor ons ten zondoffer heeft gesteld.
7. Zelfs als al die offeranden geofferd werden moet het gedurige brandoffer niet achterwege blijven, noch des morgens noch des avonds, dat moet iedere dag het eerst geofferd worden in de morgen, en het laatst in de avond. Geen buitengewone diensten moeten de vastgestelde oefeningen van de Godsvrucht verdringen.
Eindelijk. Hoewel al deze diensten door de gehele vergadering moesten geschieden, en op algemene onkosten, moesten toch particuliere personen God verheerlijken met hun geloften en vrijwillige offers, vers 39. Toen God gebood dat zij dit moesten doen, heeft Hij plaats en ruimte gelaten voor edelmoedigheid in hun Godsvrucht, voor zeer veel, dat zij nog mogen doen, geen andere wijze van Godsverering bedenkende, maar overvloedig zijnde in deze, zoals in 2 Kronieken 30:23,24. Er zijn in Leviticus uitvoerige aanwijzingen gegeven betreffende al de soorten van offeranden, die door particuliere personen gebracht moesten worden, overeenkomstig de leidingen van Gods voorzienigheid met hen. Hoewel ieder Israëliet deel had in deze algemene offers, moet hij toch niet denken dat die in de plaats kunnen komen van zijn geloften en vrijwillige offers. En zo zal het gebed van onze leraren met ons en voor ons ons niet vrijstellen van ook zelf te bidden.