Bijbelstudie
Boeken
Numeri 26
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
1
HET geschiedde nu
1
na die plaag, dat de HEERE sprak tot Mozes en tot Eleázar, den zoon van Aäron, den priester, zeggende:
2
2
Neemt de som van de gehele vergadering der kinderen Israëls op,
a
van twintig
3
jaar oud en daarboven, naar het huis hunner vaderen,
4
al wie ten heire in Israël uittrekt.
3
Mozes dan en Eleázar, de priester, spraken hen aan in de
5
vlakke velden van Moab, aan
6
de Jordaan van Jericho, zeggende:
4
7
Dat men opneme
van twintig jaar oud en daarboven;
b
gelijk als de HEERE Mozes geboden had en den kinderen Israëls,
8
die uit Egypteland uitgetogen waren.
5
Ruben
c
was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch,
9
van welken
was het geslacht der Hanochieten; van Pallu het geslacht der Palluïeten;
6
Van
10
Hezron het geslacht der Hezronieten; van Charmi het geslacht der Charmieten.
7
Dit zijn de geslachten der Rubenieten; en hun getelden waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig.
8
En de
11
zonen van Pallu waren Eliab.
9
En de zonen van Eliab waren Nemuël en Dathan en Abíram;
d
deze Dathan en Abíram waren de
12
geroepenen der vergadering, die gekijf maakten tegen Mozes en tegen Aäron
13
in de vergadering van Korach, als zij gekijf tegen den HEERE maakten,
10
En de aarde haar mond
14
opendeed en verslond hen
15
met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en werden
16
tot een teken.
11
Maar de kinderen van Korach
17
stierven niet.
12
De zonen van Simeon naar hun geslachten: van
18
Nemuël het geslacht der Nemuëlieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;
13
Van
19
Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.
14
Dat zijn de geslachten der Simeonieten;
20
twee en twintig duizend en tweehonderd.
15
De zonen van Gad naar hun geslachten: van
21
Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten;
16
Van
22
Ozni het geslacht der Oznieten; van Eri het geslacht der Erieten;
17
Van
23
Arod het geslacht der Arodieten; van Aréli het geslacht der Arélieten.
18
Dat zijn de geslachten der zonen van Gad naar hun getelden: veertigduizend en vijfhonderd.
19
De zonen van Juda waren Er en Onan;
e
maar Er en Onan
24
stierven in het land Kanaän.
20
Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van
25
Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.
21
En de zonen van
f
Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht der Hamulieten.
22
Dat zijn de geslachten van Juda naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.
23
De zonen van Issaschar naar hun geslachten waren:
26
van
Tola het geslacht der Tolaïeten; van Pua het geslacht der Punieten;
24
Van
27
Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.
25
Dat zijn de geslachten van Issaschar naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.
26
De zonen van Zebulon naar hun geslachten waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleël het geslacht der Jahleëlieten.
27
Dat zijn de geslachten der Zebulonieten naar hun getelden: zestigduizend en vijfhonderd.
28
De zonen van Jozef naar hun geslachten waren Manasse en Efraïm.
29
De zonen van Manasse waren:
g
van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.
30
Dit zijn de zonen van Gilead:
28
van
29
Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten;
31
En
van
Asriël het geslacht der Asriëlieten; en
van
Sechem het geslacht der Sechemieten;
32
En
van
Semída het geslacht der Semídaïeten; en
van
Hefer het geslacht der Heferieten.
33
h
Doch
30
Zeláfead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochters van Zeláfead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
34
Dat zijn de geslachten van Manasse; en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.
35
Dit zijn de zonen van Efraïm naar hun geslachten: van Sutélah het geslacht der Sutélahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.
36
En dit zijn de zonen van Sutélah: van Eran het geslacht der Eranieten.
37
Dat zijn de geslachten der zonen van Efraïm naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef naar hun geslachten.
38
De zonen van Benjamin naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaïeten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van
31
Ahíram het geslacht der Ahiramieten;
39
Van Sefúfam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.
40
En de zonen van Bela waren Ard en Naäman;
van Ard
het geslacht der Ardieten; van Naäman het geslacht der Naämieten.
41
Dat zijn de zonen van Benjamin naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.
42
Dit zijn de zonen van Dan naar hun geslachten: van
32
Suham het geslacht der Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan naar hun geslachten.
43
Al de geslachten der Suhamieten naar hun getelden waren vier en zestig duizend en vierhonderd.
44
De zonen van Aser naar hun geslachten waren: van Jimna het geslacht der Jimnaïeten; van Jisvi het geslacht der Jisvieten; van Bería het geslacht der Beriïeten.
45
Van de zonen van Bería waren: van
33
Heber het geslacht der Heberieten; van Málchiël het geslacht der Malchiëlieten.
46
En de naam der dochter van Aser was Serah.
47
Dat zijn de geslachten der zonen van Aser naar hun getelden: drie en vijftig duizend en vierhonderd.
48
De zonen van Naftali naar hun geslachten: van
34
Jáhzeël het geslacht der Jahzeëlieten; van Guni het geslacht der Gunieten;
49
Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van
35
Sillem het geslacht der Sillemieten.
50
Dat zijn de geslachten van Naftali naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.
51
Dat zijn
36
de getelden van de zonen Israëls: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.
52
En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
53
Aan
37
dezen zal het land uitgedeeld worden ter erfenis,
38
naar het getal der namen.
54
i
Dengenen die velen zijn, zult
39
gij hun erfenis meerder maken, en dien die weinigen zijn, zult gij hun erfenis minder maken; een iegelijk zal naar zijn getelden zijn erfenis gegeven worden.
55
Het land nochtans zal
k
door het
40
lot gedeeld worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen
41
zij erven.
56
Naar
42
het lot zal elks
43
erfenis gedeeld worden, tussen de velen en de weinigen.
57
l
Dit zijn nu de getelden van Levi naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kahath het geslacht der Kahathieten; van Merári het geslacht der Merarieten.
58
Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der
44
Libnieten, het geslacht der
45
Hebronieten, het geslacht der
46
Mahelieten, het geslacht der Musieten, het geslacht der
47
Korachieten. En Kahath gewon Amram.
59
m
En de naam der huisvrouw van Amram was Jochébed, de dochter van Levi, welke
48
de huisvrouw van
Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram Aäron en Mozes, en Mirjam, hun zuster.
60
En aan Aäron werden geboren Nadab en Abíhu, Eleázar en Ithamar.
61
n
Nadab nu en Abíhu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht des HEEREN.
62
En hun getelden waren drie en twintig duizend, al wat mannelijk is
49
van een maand oud en daarboven; want dezen werden niet geteld
50
onder de kinderen Israëls, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de kinderen Israëls.
63
Dat zijn de getelden van Mozes en Eleázar, den priester, die de kinderen Israëls
51
telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho.
64
En onder dezen was niemand uit de getelden van Mozes en Aäron, den priester,
52
als zij de kinderen Israëls telden in de woestijn Sinaï.
65
o
Want de HEERE had van die gezegd, dat zij in de woestijn
53
gewisselijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven dan
54
Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.