1. Als de Kanaäniet, de koning van Harad, (= wilde ezel), wonende tegen het zuiden van Kades, van waar de kinderen van Israël zich opmaakten (
hoofdstuk 20:22), hoorde, dat Israël in het land Kanaän door de weg van deverspieders kwam, 1) door dezelfde weg, die 37 jaar geleden de verspieders ingeslagen waren (
hoofdstuk 13:18), zo streed hij tegen Israël, om de intocht in het land te verhinderen, en hij voerde enige gevangenen hieruit als gevangene weg.
1) Israël had weliswaar bij het optrekken uit Kades geenszins het doel, van het zuiden af Kanaän binnen te dringen, maar moest zich toch, nadat Edomieten en Moabieten de doortocht geweigerd hadden, weer terugwenden naar het noordeinde van de Elanitische golf, om het gebergte Seïr en het land van Moab om te trekken, en na de doortocht door het gebied van de Amorieten, dat zij veroverden, van het oosten af over de Jordaan te gaan. De koning van Harad kon echter in dat opbreken geen ander doel dan het eerstgenoemde vermoeden, vooral, daar zij waarschijnlijk hun weg noordoostelijk naar de Wady Fikreh namen en eerst van de Dschebel Madurah zich naar het zuidoosten keerden. Als de kinderen van Israël reeds van Kades vertrokken zijn en zich naar het zuiden gewend hebben, zet hij hen na, daar hij niet geheel tevergeefs tegen hen wil uitgetrokken zijn, en overvalt hen in de rug, evenals eens Amalek te Rafidim gedaan had (Exodus 17:8). Dit gebeurde waarschijnlijk ten tijde dat Israël nog in Mosera gelegerd was en 30 dagen lang Aärons dood beweende (Numeri 33:40)..
In het Hebreeuws Dérek ha'atharim. De LXX odon Ayarein. De Statenvertaling geeft weg van de verspieders, in navolging van de Chaldese en Syrische vertaling, alsof er stond: (hatharim). Grammaticaal kan dit. Het zou dan de weg zijn, welke de verspieders gevolgd waren, om het land te verspieden. Wij verkiezen de vertaling van de Septuaginta en vertalen, hoorde, dat Israël langs de weg naar Atharim kwam. Atharim is dan een plaats of stad in het zuiden van Palestina gelegen..