Nehemia 7:5-73
Wij hebben hier nog een goed plan van Nehemia, want wijze en ijverige mensen zullen altijd het een of ander bedenken tot bevordering van de eer van God en de stichting en opbouwing van Zijn kerk. Hij wist zeer goed dat de veiligheid van een stad, onder God, meer afhangt van het getal en de kloekmoedigheid van haar inwoners dan van de hoogte of sterkte van haar muren, daar hij nu zag, dat het aantal van de inwoners gering was, achtte hij het voegzaam om hun getal te doen opnemen, teneinde te weten te komen, welke geslachten vroeger in Jeruzalem gevestigd waren geweest, maar naar het land waren verhuisd, opdat hij hen nu naar de stad zou kunnen doen weerkeren, en op welke gezinnen invloed zou kunnen geoefend worden door hun Godsdienst of door hun zaken, om de huizen te Jeruzalem te herbouwen, en er in te komen wonen. Wij hebben zo weinig reden om te wensen, dat wij alleen op de aarde geplaatst zouden zijn, of zelfs in Jeruzalem, dat onze veiligheid, ons gemak en gerief in grote mate afhangen van onze naburen en vrienden, hoe meer, hoe sterker, "hoe meer zielen hoe meer vreugde." Het is de wijsheid van de bestuurders van een volk, om het evenwicht te bewaren tussen stad en land, opdat de hoofdstad niet zo buitensporig groot is dat zij het land uitput en verarmt, maar toch ook niet zo zwak is, dat zij niet instaat is het te beschermen. Merk ml op:
I. Vanwaar dit goede plan van Nehemia is gekomen. God gaf in mijn hart, zegt hij, vers 5. Elke goede, Godvruchtige, of verstandige gedachte van ons hart, moeten wij erkennen van God te zijn gekomen. Hij was het, die haar in ons heeft gegeven, want alle goede gave en alle goed werk is van boven, Hij geeft kennis, Hij geeft genade, alles is van Hem, en daarom moet alles voor Hem zijn. Wat door menselijke wijsheid gedaan wordt moet aan de leiding van de Goddelijke voorzienigheid worden toegeschreven, Hij, die de landman onderricht van de wijze, Jesaja 28:26, onderricht ook de staatsman.
II. Welke methode hij volgde om het ten uitvoer te brengen.
1. Hij riep de oversten en het volk tezamen, teneinde een nauwkeurig bericht te ontvangen van de tegenwoordige staat van hun geslachten, van hun aantal en kracht, of vermogen, en van de plaats waar zij gevestigd waren. Waarschijnlijk heeft hij hun, toen hij hen samenriep, bevolen om een volledige opgave hiervan uit hun onderscheidene districten mee te brengen. En ik denk dat er niet zovelen waren, of het kon wel spoedig gedaan worden.
2. Hij onderzocht het geslachtsregister van degenen, die in het eerst waren uitgetogen, en vergeleek er de tegenwoordige opgave mede, en daar hebben wij nu de herhaling van uit Ezra 2. Het opschrift hier, vers 6, 7 is gelijkluidend met het opschrift daar, vers 1,2. Dit zijn de kinderen van dat landschap, enz. Twee dingen van daar worden hier voor de tweede maal herhaald en vermeld.
A. De namen en het getal van hun verschillende geslachten, en:
B. Hun gaven ten dienste van de tempel. De herhaling van deze opgaven kan dienen om ons te kennen te geven welk een behagen de grote God schept in de personen, de geslachten en de diensten van Zijn geestelijk Israël, en dat Hij daar zeer bijzonder kennis van neemt. Hij kent degenen, die de Zijnen zijn, kent hen allen, kent hen bij name, heeft Zijn oog op het register van deze kinderen van de gevangenschap en doet alles naar de alouden raad Zijns willens betreffende hen.
a. Hier is een bericht van de hoofden van de onderscheidene geslachten, die het eerst uitgetogen zijn, vers 6-69. Dienaangaande hebben wij op te merken:
Ten eerste. Hoewel dit thans voor ons van weinig nut of belang schijnt te zijn, was het toen toch van zeer groot nut, om te vergelijken wat zij geweest zijn met wat zij nu waren. Wij kunnen veronderstellen dat hun aantal nu zeer was toegenomen, maar het was goed voor hen om hun klein begin te gedenken, ten einde God te erkennen in de toeneming van hun geslachten. Hierdoor konden ook hun geslachtsregisters bewaard blijven, de onderscheidingen van hun families in wezen worden gehouden, totdat de Messias zou komen, om dan een einde te maken aan hun geslachtsrekeningen, die om Zijnentwil bewaard waren gebleven, maar naderhand doelloos waren. Maar,
Ten tweede. Er is veel verschil in de opgaven van de getallen in deze eerste lijst en die van Ezra. De meesten ervan zijn nauwkeurig aan elkaar gelijk, sommigen met weinig verschil-van misschien een of twee meer of minder-en daarom kan ik niet, zoals sommige Schriftuitleggers denken, dat de lijst in Ezra een opgave was van hun getal bij hun eerste komst, en die in Nehemia een opgave was van hun tegenwoordig getal, daar er nu minstens veertig jaren sedert hun eerste komst waren verlopen, (sommigen achten dat het veel meer dan veertig jaren was), want wij kunnen niet denken dat gedurende al die tijd in zovele gezinnen in het geheel geen of slechts weinige veranderingen waren voorgekomen ten opzichte van hun aantal. Die verschillen kunnen wij dus veronderstellen ontstaan te zijn hetzij uit de vergissingen van de overschrijvers, die in getallen licht kunnen voorkomen, of door het verschil tussen de handschriften, waaraan zij ontleend zijn, of misschien gaf de ene lijst een opgave van hun getal toen zij met Zerubbabel uit Babel zijn weggegaan, en de andere van hun aantal toen zij in Jeruzalem zijn aangekomen. De som totaal is dezelfde hier als daar, behalve van de zangers, mannelijke en vrouwelijke, daar bedroeg hun aantal tweehonderd, hier tweehonderd vijf en veertig. Deze waren van niet zoveel gewicht, dat er nauwkeurig rekening van hen werd gehouden.
b. Hier is een bericht van hun offeranden, die zij voor het werk Gods gegeven hebben, vers 70 en verv. Dit verschilt zeer van dat in Ezra 2:68, 69, en het is zeer de vraag, of het wel dezelfde contributie geldt. Hier begint de tirsatha, of opperlandvoogd, de offergaven, terwijl daar geen melding van hem gemaakt wordt. En de enkele som, daar opgegeven, overtreft die van hier allen tezamen. Het is echter waarschijnlijk wèl dezelfde, maar die opgave zal naar het een afschrift van de lijst geschied zijn, en deze naar een ander, want het laatste vers is hetzelfde hier als in Ezra 2.vers 70 Geloofd zij God dat ons geloof en onze hoop niet gegrond zijn op de nauwkeurigheid van namen en getallen, van geslachtslijsten en tijdrekenkundige lijsten, maar op de grote dingen van wet en Evangelie. Wat ook aan het werk Gods gegeven wordt, Hij is niet onrechtvaardig, dat Hij het zou vergeten, ook zal zelfs geen beker koud water, die in Zijn naam, en tot Zijn ere gegeven wordt, onbeloond blijven.